Betoging lage resolutie web 42

WASCABI: u was een geweldige molrat!

Een speciaal voor de gelegenheid uitgegraven nestkamer waar verschillende kolonies naakte molratten met elkaar in overleg gingen. Dát was Wascabi dit jaar. Huh? Een terugblik op een namiddag vol grondwerk, tunnelverbindingen en de (on)zichtbare kracht van sociaal-cultureel werk en amateurkunsten.

Wat gebeurde er zoal in die nestkamers? En welke klemtonen legde minister Gennez? 

Wascabi 2026 lage resolutie 01

Foto: Sophie Nuytten

Ja, er werd al eens gefronst en gegniffeld toen Tijl Nuyts, auteur van het bekroonde boek Grondwerk, in zijn inleiding sprak over het ondergrondse wel en wee van de naakte molrat. Maar gaandeweg (of gravendweg?) werd de analogie duidelijk met de situatie van veel organisaties in de zaal. Want wat sociaal-cultureel werk en amateurkunsten doen, is niet altijd spectaculair zichtbaar. Maar het zit wel diep. In mensen die zich engageren. In organisaties die verbindingen leggen. In partnerschappen die nieuwe oplossingen mogelijk maken. En in de vele manieren waarop mensen er leren samenleven, samenwerken, van mening verschillen en toch verdergaan. Ze doen dus het ‘grondwerk’ van en voor onze samenleving. Ze leggen ondergronds mee de basis voor wat boven de grond bloeit. Ze hebben onmiskenbare impact, maar blijven veelal onzichtbaar. Hun maatschappelijke voelsprieten werken feilloos, maar beleidsmakers hechten er veel te weinig aandacht aan. En wie ondergraaft eigenlijk wie?

Tijl Nuyts fileerde fijntjes de context waar sociaal-culturele en amateurkunstenorganisaties zich in bevinden. Hij polste tot slot ook naar de visie van de ‘Koninginnen’, oftewel de aanwezige politici Gijs Degrande (N-VA), Bram Jaques (Groen), Ans Persoons (Vooruit) en Céline Gümüs (PVDA). 
Wascabi 2026 lage resolutie 09

Tijl Nuyts. Foto: Sophie Nuytten

Bedankingskaartje recto

Zes nestkamers maken het onzichtbare zichtbaar

Na een welkomstwoord door Bart Temmerman, secretaris-generaal van het Departement CJM, waarin hij benadrukte dat geen enkele molrat - ook de koninginnen niet - het volledige overzicht hebben op het tunnelnetwerk. Daarom vindt hij kritische en verbindende organisaties ontzettend belangrijk. De rol van het departement is veel luisteren en naar evenwichten zoeken, aldus het departementshoofd, én met overtuiging samen met de sectoren zoeken naar gemeenschappelijke grond en wat er onder het oppervlak beweegt. 
Wascabi 2026 lage resolutie 16

Bart Temmerman. Foto: Sophie Nuytten

Daarna gingen organisaties, politici en ambtenaren in 6 verschillende nestkamers dieper in op partnerschappen en vrijwilligerswerk en lieten zich inspireren door wetenschappers. Hier een beknopte – en dus zeer onvolledige - bloemlezing van wat opviel en bleef hangen.

Partnerschappen: minder hokjes, meer ruimte

Het zit in de aard van veel sociaal-culturele en amateurkunstenorganisaties om samen te werken met gelijkgezinden of partnerschappen aan te gaan in functie van bv. meer slagkracht. Wascabi liet enkele van deze partners aan het woord. Zo werken Greenway en ProVeg samen omdat ze elkaar inhoudelijk versterken en omdat het verhaal sterker wordt wanneer een niet-commerciële partner mee spreekt over de maatschappelijke en gezondheidswinst van een eiwitshift. Theater aan Zee en BlinkOut zoeken elkaar op rond toegankelijkheid, maar niet zomaar om ergens een vinkje te kunnen zetten. Ze onderhandelen over de voorwaarden waaronder een samenwerking echt betekenisvol is. Platform K en stad Leuven bouwden - respectievelijk met Danspunt en Mobiel 21 – vanuit een aanvankelijk experiment een duurzame samenwerking uit.  

Er passeerden ervaringen, vragen, waarschuwingen en tips. Hoe breng je bijvoorbeeld partners uit verschillende werelden bij elkaar zonder de samenwerking dood te reguleren? Het blijkt dat goede partnerschappen vaak organisch ontstaan. Mensen botsen op elkaar, raken aan de praat en ontdekken dat ze samen meer kunnen betekenen. De overheid kan (of moet?) zulke ontmoetingen faciliteren, maar mag ze vooral niet verplichten of het overreguleren. Greenway vond de ‘eiwitshift’ een goed voorbeeld, waarbij het samenbrengen van actoren expliciet de bedoeling was.  

Samenwerken met andere sectoren vertaalt zich overigens niet altijd in overheidswaardering. De Vlaamse overheid kan zeker meer doen om langdurige inbedding van partnerschappen mogelijk te maken. Stad Leuven geeft alvast het voorbeeld door intussen een subsidie per legislatuur toe te kennen aan de fietsschool van Mobiel 21. Dat biedt zekerheid en de nodige verankering. Ook meer (experimenteer)ruimte voor het verkennen van partnerschappen zou welkom zijn, want er kruipt zeer veel tijd in netwerken en banden smeden. En in krappe tijden is dat wel eens het eerste dat sneuvelt.
Wascabi 2026 lage resolutie 22

Foto: Sophie Nuytten

Gelijkwaardigheid is een belangrijke voorwaarde voor succesvolle samenwerkingen.  Leer elkaar kennen en zorg dat je écht op dezelfde lijn zit. Vertrek vanuit je missie en bewaak je ethische grenzen als je gaat samenwerken. Hou sowieso rekening met verschillende logica’s en zoek naar evenwichten. Organisaties die met specifieke groepen werken mogen niet gereduceerd worden tot leveranciers van een interessante doelgroep. En samenwerking is niet automatisch synoniem voor ‘efficiëntiewinst’ of besparing. Een algemene tip was om vaker over het muurtje te kijken, maar ook voldoende ruimte te laten om dat op je eigen manier te doen. 

Vrijwilligers: de hartslag onder het maaiveld

In dit filmpje (met audiodescriptie door het Vlaamse blinden- en slechtziendenplatform Symfoon) getuigen vrijwilligers van 6 uiteenlopende organisaties over hun motivatie en het belang van hun vrijwilligerswerk voor henzelf en voor de samenleving. Daaruit blijkt overduidelijk dat werken met geëngageerde vrijwilligers de kern van onze sectoren vormt. Vrijwilligers zijn geen goedkope arbeidskrachten en ook geen vanzelfsprekende voorraad waaruit organisaties eindeloos kunnen putten. Ze zijn het kloppende hart van sociaal-cultureel werk en amateurkunsten. Tegelijk staat dat engagement onder druk.

De toenemende regelgeving is daarbij een belangrijk obstakel. Vrijwilligers merken dat hun engagement verzwaard wordt met extra administratie, meldingsplichten en andere regels. Om gewoon ‘mee te doen’ lijkt tegenwoordig een portie durf nodig, want ‘wat als ik iets verkeerd doe?’. Ook de uitbreiding van de studentenarbeid en flexijobs, en de algemene druk om langer en meer te werken tout court roept vragen op. Er is vandaag simpelweg minder tijd en ruimte om je langdurig voor iets of iemand anders te engageren. Bovendien is er een groep mensen die het zich niet kunnen veroorloven om vrijwilligerswerk te doen. Hoe engageren we hen? 

Tegelijk klonk in de gesprekken weinig defaitisme. Vrijwilligerswerk ontstaat uit passie, betrokkenheid en de goesting om deel uit te maken van iets groters. Organisaties en overheden moeten daar rekening mee houden. Vrijwilligers hebben ondersteuning nodig. Goede professionele omkadering is geen bedreiging voor vrijwilligerswerk, maar net een voorwaarde om het mogelijk te maken. Organisaties zoeken en schakelen permanent om vrijwilligers te vinden, te houden, te waarderen. Gezien veel organisaties daarbij op hetzelfde botsen, werd geopperd om hierrond onderling meer samen te werken. 

En misschien moeten we vooral beter leren kijken. Heel wat mensen creëren sociaal kapitaal zonder zichzelf ooit vrijwilliger te noemen: iemand die inspringt op een activiteit, meehelpt in een vereniging of af en toe een taak opneemt. Ook dat engagement verdient waardering en erkenning. Vrijwilligerswerk is vooral véél meer dan ‘gratis werk’ waartoe het vaak verengd wordt. Het is daarom ook belangrijk om de verschillende voordelen van vrijwilligerswerk te blijven tonen én het belang van het  professioneel kader errond. Want vrijwilligerswerk gebeurt zelden tot nooit in het luchtledige. 

Wetenschappers: kijk niet alleen naar impact, maar ook naar betekenis

In de wetenschapskamer kregen we een andere blik op dezelfde grondlaag. Econoom Koen Schoors vroeg zich af wat we zouden verliezen als sociaal-cultureel werk en amateurkunsten er níét zouden zijn. Heel wat, zo bleek. Mensen ontwikkelen artistieke, organisatorische en andere vaardigheden vanuit passie en betrokkenheid. Dat is het menselijk kapitaal. Daarnaast is er het sociaal kapitaal. Mensen ontmoeten elkaar, leren omgaan met verschil en ontdekken dat je het oneens kunt zijn zonder elkaar kwijt te raken. Sociaal en menselijk kapitaal zorgen samen voor democratisch kapitaal. Leren luisteren, nadenken, deelnemen, in debat gaan, je stem laten horen.

Dat laatste is misschien wel de belangrijkste boodschap. We praten veel over democratie in termen van instellingen, verkiezingen en parlementen. Maar democratie wordt ook elke dag geoefend in buurten, verenigingen, repetitieruimtes en groepen waar mensen samen iets organiseren. Precies daar ontstaat het vermogen om met verschillen om te gaan en om verantwoordelijkheid op te nemen. Dit werd volmondig beaamd door Bram Jaques (Groen): "Het middenveld is het schuurpapier van de samenleving. In Hongarije is het middenveld en kritische stemmen volledig weg – en dat voel je". Overigens zou ook innovatief kapitaal – denk aan experimenteerruimtes en technologische innovatie – verloren gaan. En jawel, uiteraard ook economisch kapitaal. Want cultuur staat in voor 6% van de tewerkstelling en 12% van de omzet, en dan vergeten we nog de lokale economische effecten van allerlei verenigingsactiviteiten. 

Wascabi 2026 lage resolutie 24

Pieter Cools. Foto: Sophie Nuytten

Dus ja, sociaal-culturele en amateurkunstenorganisaties zijn op vele fronten betekenisvol. Maar daarom moeten we dit nog niet allemaal willen vangen in indicatoren en cijfers, betoogde socioloog Pieter Cools. Impact gaat over effect en nut, vaak kwantitatief uitgedrukt. Meerwaarde gaat ook over affect en betekenis, eerder kwalitatieve parameters. Wat een vereniging met mensen doet, laat zich niet altijd uitdrukken in een KPI. Soms is de maatschappelijke winst net dat mensen plezier beleven, nieuwe dingen proberen, ergens bij horen of nieuwe betekenis geven aan hun omgeving. We moeten voortaan misschien niet enkel vragen “wat werkt?”, maar ook “wat betekent het?”. Hij stelde een ietwat alternatieve woordenschat voor: van ‘effect’ naar ‘affect’, van ‘succes’ naar ‘betekenis’ en van ‘opschalen’ naar ‘verspreiden’. Want iets wat ‘werkt’ in sociaal-culturele praktijken, moet niet zozeer opgeschaald, maar verspreid worden, met ruimte voor lokale eigenheden. Hij sprak over het belang van spelen (cf. Huizinga) – ook ifv leerprocessen bijvoorbeeld – en van veel ‘little platoons’ waarin mensen zich kunnen herkennen (cf. Edmund Burke). En dan is er natuurlijk nog het tijdsperspectief. Sociaal-culturele en amateurkunstenorganisaties ‘werken’ op de lange termijn, maar de overheid denkt quasi uitsluitend in korte termijn. 

Björn Rzoska in gesprek met minister van cultuur Gennez (Vooruit)

De minister zat - letterlijk - wat langer dan verwacht vast in de Brusselse tunnels, maar in het slotgesprek met Björn Rzoska, voorzitter van De Federatie, kwam iedereen weer stilaan aan de oppervlakte.

Het eerste punt dat de minister wilde maken was het belang van autonomie. Gennez benadrukte dat organisaties zelf moeten kunnen bepalen wat ze doen en hoe ze dat doen. Zeker in een superdivers landschap als dat van de amateurkunsten is er volgens haar geen behoefte aan één vooraf bepaalde ‘mal’. De amateurkunstenorganisaties hebben nochtans wel het gevoel dat ze iets moeten ‘worden’ dat ze in essentie niet zijn. Ook de suggestie dat ze allemaal een soort ‘steunpunten’ of ‘bovenbouworganisaties’ zouden zijn, stoort hen. De minister ging daar niet op in, maar benadrukte wel het belang van samenwerking en uitwisseling van goede praktijken. Daarbij ging ze ook in op de verantwoordelijkheid van het beleid zelf. Organisaties moeten over de muurtjes kijken, maar de overheid moet evengoed de hand reiken. Zeker in de samenwerking tussen cultuur en welzijn en tussen cultuur en onderwijs wil Gennez daar beleidskaders en middelen tegenover zetten. Het volstaat volgens haar niet om organisaties te vragen outreachend te werken. Het beleid moet ook de mogelijkheid creëren om dat daadwerkelijk te doen. 

Wascabi 2026 lage resolutie 02

Björn Rzoska en Caroline Gennez. Foto: Sophie Nuytten

In de samenwerking tussen amateurkunsten en professionele kunsten toonde de minister zich een duidelijk voorstander van een tweerichtingsverkeer. Amateurkunsten kunnen een opstap vormen, maar zijn zoveel meer dan een wachtkamer voor de professionele kunsten. Omgekeerd kunnen professionele kunstenorganisaties ook zelf veel winnen door actief uit te reiken naar mensen die als amateur beginnen. Het idee van Björn om dit uitgangspunt ook zichtbaar te maken naar aanleiding van de volgende beoordelingsrond binnen het kunstendecreet, leek ze wel te kunnen smaken. 
Veel aandacht ging naar de vlak voor de zomer goedgekeurde contouren van het nieuwe decreet sociaal-cultureel volwassenenwerk, dat klaar zou moeten zijn tegen maart 2027. De minister was trots dat de conceptnota volgens haar de ziel van de sector overeind houdt en de sector in het hart van het cultuurbeleid positioneert. Het belang van autonomie, het recht om kritisch te zijn en je plek op te eisen wordt bevestigd, aldus de minister. Ook de vier functies van sociaal-cultureel werk blijven volgens haar behouden. Tegelijk moet het nieuwe decreet eenvoudiger en transparanter worden, met minder planlast. Waarop ze nogal boud stelde dat “het huidige decreet het zwakste van de cultuurdecreten is en het nieuwe het sterkste zal worden”. Bovendien moet het nieuwe decreet een fundament leggen voor een toekomstige ‘Codex Cultuur’, een soort opsomming van transversale uitgangspunten binnen het cultuurbeleid.
De minister blikte ook terug op de subsidiebeslissingen in het najaar 2025. Ze noemde de lange beslissingstermijn en vooral de manier waarop het debat gevoerd werd een dieptepunt in haar legislatuur. Ze excuseerde zich expliciet voor de gang van zaken en voor de polarisering die daarbij ontstond. Tegelijk verwees ze naar het vervolgtraject dit voorjaar als een voorbeeld van hoe beleid en sector wél samen kunnen werken. Waarop ze een pluim gaf aan de sector, De Federatie en het departement. Dit traject mondde dus voorlopig uit in de goedgekeurde conceptnota. 
Wascabi 2026 lage resolutie 03

Foto: Sophie Nuytten

Maar hoe vermijden we dit soort ‘ongelukken’ en politieke inmenging in de toekomst? En hoe beschermen we de kritische rol van organisaties wanneer de politieke druk toeneemt? Daarover was de minister helder. Ze zal de kritische stem altijd verdedigen, ook wanneer die kritisch is voor haarzelf. De bepalingen rond gewelddadig extremisme – opgenomen in de algemeen geldende regels van de VCO (Vlaamse Codex Overheidsfinanciën, nvdr) – mogen volgens haar niet gebruikt worden om kritische of radicale meningen monddood te maken. Maar het gebruik van geweld is voor haar een brug te ver. Ze vindt dat de sector ondubbelzinnig afstand moet nemen van ‘gewelddadig extremisme’ en nuanceert meteen: “Dat is iets anders dan een extreme mening hé. Je kan extreem radicaal zijn in uw gedachten, maar zolang je daar niemand mee kwetst of niemand mee in gevaar brengt of niet oproept om andere mensen in gevaar te brengen, dan is er helemaal niks mis mee. Dus laat u vooral niet op stang jagen door een aantal die dat heel graag willen gebruiken of de indruk geven te gaan gebruiken om kritiek of mensen die hun mening zeggen te fnuiken. Daar zullen wij altijd onze voet voor zetten.”  En over politieke inmenging: “Dit decreet is een vorm van vertrouwen naar de sector. Als je beoordeling uitbesteedt aan experts, moet je er maximaal rekening mee houden".   

Over de verrassende bepaling dat er naast de huidige Avansa ook andere organisaties als regionale spelers gesubsidieerd kunnen worden binnen het decreet, verduidelijkte ze dat dit geen motie van wantrouwen is richting de Avansa’s. Maar waarom er precies ook andere organisaties moeten kunnen erkend worden, kregen we niet te horen.   

Terug bovengronds

WASCABI maakte duidelijk dat sociaal-culturele en amateurkunstenorganisaties veel meer zijn dan wat er aan de oppervlakte zichtbaar is. Het zijn niet louter ‘producenten’ van initiatieven, activiteiten en projecten. Ze bouwen menselijk, sociaal en democratisch kapitaal. Ze creëren plekken waar mensen leren deelnemen, samenwerken, botsen, spelen, maken en opnieuw beginnen. Het bruist ondergronds en het is niet altijd spectaculair, maar het is wel essentieel voor alles wat bovengronds groeit. Ter herinnering kreeg de minister én elke deelnemer een zakje potgrond “voor ondergrondse werking en bovengrondse impact”
Dank aan iedereen die meewerkte aan Wascabi en aan alle deelnemers voor hun inbreng en reflecties!
Bart Verhaeghe Neem contact op met Bart