Opinie: Subsidies als wapen tegen het middenveld
vrijdag 5 december 2025
Naar aanleiding van de subsidiebeslissingen over de sociaal-culturele organisaties, kroop collega Bart in de pen. Over de sluipende verschraling van de democratische ruimte. Onderstaand opiniestuk verscheen in het decembernummer van SAMPOL.
De Vlaamse regering pronkt graag met haar 'goed bestuur', maar maakte van de subsidieronde voor het sociaal-cultureel werk een politiek afrekenmoment.
Toen de Vlaamse regering midden november ein-de-lijk haar beslissing bekendmaakte over de subsidies voor het sociaal-cultureel werk, volgden ‘oef’ en ‘ai’ kreten. De spanning was al weken opgebouwd door gerichte perslekken van regeringspartijen. Het werd een klassiek compromis, samen te vatten als de ambiance op een modale kleuterspeelplaats: “Als jij mijn vriend slaat, sla ik die van jou. En wij zijn met meer, dus we kunnen harder slaan”.De balans? Eén erkende organisatie, Labo vzw, verliest al haar subsidies. Eén nieuwe, HOTM, krijgt er geen. Vier anderen (GetBasic, Vrede, Vredesactie en Climaxi) zien hun subsidies herleid tot 150.000 euro. De meesten van hen schreven een goed beoordeeld beleidsplan. De beoordelingscommissies beloofden hen een subsidiestijging. De totale besparing op de sector (voor het vijftiende jaar op rij) hakt er opnieuw stevig in. Zelfs de meest beloftevolle organisaties krijgen maximaal 3% extra: feitelijk een achteruitgang gezien stijgende kosten. Met deze beslissing overtreedt de regering haar eigen decretale regels.In de berichtgeving werd het gekibbel voorgesteld als een klassiek politiek steekspel. De nadruk lag op wie welke toegevingen had gedaan en wie “gewonnen” had. De links-rechtstegenstelling leverde meer persaandacht op voor ’het sociaal-cultureel werk’ dan ooit tevoren. De indruk ontstond dat dit vooral een conflict was binnen de regering, niet tussen overheid en middenveld. Maar dat beeld is misleidend.
Want deze beslissing is geen losstaand incident. Ze kadert in een breder geheel: een systematische verschuiving in discours, verwachtingen en beleidsomgeving rond het middenveld. Niet één grote ingreep, maar vele kleinere bewegingen die samen de autonomie, kritische rol en de maatschappelijke ruimte van middenveldorganisaties aantasten.
Al meer dan een decennium wordt het middenveld in politieke debatten neergezet als te activistisch, te ideologisch, subsidieslurpers, onvoldoende neutraal. Wie wil slaan, vindt snel een stok, ook als die krom is. Dit initieel marginale discours sijpelde steeds verder door in politieke communicatie, parlementaire debatten en opiniestukken. Het beeld dat bleef hangen: organisaties mogen wel “maatschappelijk actief” zijn, maar liefst zonder systeemkritiek of scherpe politieke analyses. Zo vernauwde de opvatting van wat legitieme middenveldrollen zijn. Het draagvlak voor organisaties die maatschappelijke spelregels ter discussie stellen, beleidskeuzes analyseren en burgers hierrond verbinden, werd geleidelijk uitgehold. Eén van de essenties van het sociaal-cultureel werk werd weggezet als ‘ideologisch links’, ‘activistisch’ of – recenter – ‘woke’. Een dramatische miskenning van de veelzijdigheid én ideologische breedte van de sector. Dit verschuivende discours legde de bedding waarin kwalijke beleidsmaatregelen makkelijker konden gedijen.
Parallel hiermee ontstond een reeks beleidsmaatregelen die een duidelijk patroon vormen: minder autonomie, meer controle, en een beperktere ruimte voor maatschappijkritiek. De vereisten voor plannen, rapportering en evaluatie stegen. Meetbaarheid werd de maatstaf, onwerkbare formats het resultaat. Des te wranger is dat de architecten van deze planlast het vele werk van organisaties straal negeren bij de subsidietoekenning. Het negeren van adviezen van beoordelingscommissies, het loskoppelen van subsidies en evaluatieresultaten, het uitsluiten van organisaties op basis van puur politieke, plots verzonnen, criteria: stuk voor stuk openen ze de deur naar selectieve subsidiëring, op maat van de eigen politieke voorkeur. Het is een typevoorbeeld van slecht bestuur, terwijl net deze Vlaamse regering graag pronkt met haar ‘goed bestuur’.
Eind 2023 screende toenmalig minister van Cultuur, Jan Jambon, enkele organisaties omdat ze volgens zijn partij ‘pro-Hamasstandpunten’ ingenomen hadden. Een behoorlijk intimiderend precedent. Maar het onderzoek leverde niks op, dus bleven sancties uit. De huidige politieke leiders gaan nu een pak verder. Ze gebruiken de vage noemer ‘radicalisering’ als passe-partout om wie hen niet aanstaat te verketteren. Terwijl een federaal wetsvoorstel ‘radicale organisaties’ wil verbieden, werkte de Vlaamse regering aan een actieplan dat toelaat subsidies op te schorten bij loutere ‘vermoedens’ van betrokkenheid bij of steun aan gewelddadig extremisme. Dergelijke maatregelen schrikken af. Wat is ‘radicaal’ en waar ligt de lat? Tel daarbij de bepaling dat organisaties geen subsidies meer mogen gebruiken voor juridische procedures tegen de Vlaamse overheid, en je zet organisaties met de rug tegen de muur. En dan zwijgen we nog over de federale ambities om het recht op protest in te perken en “kwaadwillig ondermijnen van het gezag van de staat” strafbaar te stellen. Zouden we een vermoeden van radicalisering kunnen inroepen tegen deze Vlaamse regering?
Al deze elementen kwamen samen in de vaudeville rond de subsidies van 136 sociaal-culturele organisaties. Een cumulatie van veranderende spelregels wurgt de autonomie van organisaties en maakt kritische organisaties structureel kwetsbaar. Het intimiderend effect op de brede cultuursector, en daarbuiten, is enorm. En het is nog niet gedaan. De Vlaamse regering gebruikt nu de zelf gecreëerde ‘crisis’ als argument om de aanval in te zetten op ‘lastige’ commissiewerkingen en het ‘moeilijke’ decreet aan te passen. Een vicieuze cirkel.
Wanneer de regering bepaalt welke inhoud, kritische stemmen en maatschappelijke experimenten “waardevol” zijn, knabbelt ze aan de civiele ruimte en holt ze de democratie uit. We zien een regering die niet enkel bespaart, maar in woord en daad strategisch de regie overneemt. De inzet is hoog. De uitdaging is niet alleen hoe we reageren, maar hoe we als middenveld collectief blijven pleiten voor robuuste systemen waarin transparante beoordelingsmechanismen, autonomie en diversiteit daadwerkelijk gekoesterd worden.En hoe het vertrouwen tussen overheid en middenveld hersteld kan worden. Want dit was geen geknabbel, dit was een pijnlijke knauw.
