De vrijwilligerswet van 2005 in een nieuw kleedje

Op vrijdag 20 juli keurde de ministerraad de nieuwe Vrijwilligerswet van minister van sociale zaken Maggie De Block (Open VLD) en minister van werk Kris Peeters (CD&V) goed. De ontelbare vrijwilligers in ons land krijgen daardoor een duidelijker statuut. We zetten de belangrijkste veranderingen op een rij.

Advies van de Hoge Raad voor Vrijwilligers

Naar aanleiding van de tiende verjaardag van de vrijwilligerswet in 2015 besloten ministers De Block en Peeters de wet te evalueren. Aan de Hoge Raad voor Vrijwilligers, een federaal adviesorgaan, werd gevraagd de wet grondig te analyseren en aan te geven op welke vlakken de wet beter kan. Over de Vrijwilligerswet van 2005 zei minister Peeters in maart 2017 bij het opmaken van het wetsontwerp het volgende: "De wet van 2005 over de rechten van de vrijwilliger was een mijlpaal omdat ze bescherming bood aan vrijwilligers die zich belangeloos inzetten voor sociale activiteiten. Tegelijk zijn er in de praktijk een aantal interpretatie- en andere problemen die tot onzekerheid leiden bij vrijwilligers of bij vrijwilligersorganisaties. Met dit wetsontwerp nemen wij die onzekerheid weg, zodat zowel de vrijwilligers als de organisaties die hen verenigen, nog beter beschermd worden en sterker staan in hun statuut."

Afschaffen van de meldingsplicht

De doorgevoerde aanpassingen aan de wet liggen bijna volledig in lijn met de voorstellen van de Hoge Raad voor Vrijwilligers. Enkel wat de afschaffing van de meldingsplicht betreft, heeft de ministerraad de Hoge Raad niet gevolgd. Op dit moment dienen werklozen die vrijwilligerswerk verrichten hun activiteiten verplicht aan te geven bij de RVA. De Hoge Raad pleitte voor een afschaffing van deze verplichting omdat vrijwilligerswerk en arbeid perfect gecombineerd kunnen worden. De vrees voor de onbeschikbaarheid voor de arbeidsmarkt is ongegrond, aldus de Hoge Raad. Een gelijkaardige regel geldt op dit moment voor asielzoekers die de hun toegekende daguitkering slechts kunnen behouden indien zij op voorhand aangifte doen bij Fedasil van hun vrijwilligerswerk. Ook hier pleitte de Hoge Raad voor een afschaffing van deze regel. Ministers De Block en Peeters zijn de Hoge Raad op beide punten echter niet gevolgd.

De vernieuwde vrijwilligerswet

Op verschillende andere punten heeft men het advies van de Hoge Raad wel gevolgd. Dit wetsontwerp moet nog definitief door de Kamer worden goedgekeurd vooraleer het in werking kan treden. De verwachting is dat dit in het najaar gebeurt. Hieronder een overzicht van de belangrijkste wijzigingen aan de vrijwilligerswet.

Vrijwillige bestuurders en mandatarissen

Bestuursvrijwilligers ondervinden soms moeilijkheden met de fiscale administratie of met de RVA die het vrijwillig karakter van hun activiteit aanvechten wegens de grootte van de organisatie, de uitgeoefende functie (bijvoorbeeld: penningmeester) of de verwarring tussen vergoedingen als vrijwilliger en presentiegeld. De opstellers van de wet van 2005 hebben nochtans duidelijk de wil uitgedrukt dat ze van toepassing is op de bestuurders en mandatarissen van instellingen zonder winstoogmerk, die hun mandaat kosteloos uitoefenen. Vrijwillige bestuurders en mandatarissen zullen daarom voortaan expliciet onder het toepassingsgebied van de vrijwilligerswet vallen. Om als vrijwilligers te kunnen worden beschouwd, moeten de bij het wetsontwerp bedoelde mandatarissen of bestuursorganen alle bepalingen van de wet van 2005 naleven, onder andere geen enkele vergoeding ontvangen of enkel de bij artikel 10 bedoelde kostenvergoedingen, en geen presentiegeld dat een bezoldiging is voor de deelname aan vergaderingen.

Verduidelijking van het beroepsgeheim

Het begrip 'beroepsgeheim' wordt verduidelijkt voor vrijwilligers. Tot nu toe moest de vrijwilliger vaak zelf proberen te achterhalen of hij al dan niet aan het beroepsgeheim was onderworpen. In de wet wordt nu bepaald dat de organisatie die een beroep doet op vrijwilligers dit duidelijk zal moeten maken of het beroepsgeheim al dan niet op hem of haar van toepassing is.

Kostenvergoeding

Het woord ‘vergoeding’ wordt telkens vervangen door ‘kostenvergoeding’. Zo wordt er de nadruk op gelegd dat het niet om een bezoldiging of compensatie gaat. Bovendien mogen kostenvergoedingen niet vatbaar zijn voor beslag in het kader van bijvoorbeeld schuldbemiddeling. Als een organisatie geld betaalt aan vrijwilligers, gaat het namelijk enkel om een bedrag dat de kosten dekt die verband houden met de activiteit. Het gaat niet om de verloning van arbeid of een compensatie voor de tijd die de vrijwilliger heeft geïnvesteerd. Het vormt een terugbetaling van kosten die de vrijwilliger maakt, ook wanneer het om een forfaitair bedrag gaat.

Fiets –of autovergoeding

Vrijwilligers kunnen voortaan een vergoeding krijgen voor het gebruik van de eigen wagen en fiets van hetzelfde niveau als ambtenaren.

Vervoer van personen

Vrijwilligers die het regelmatig vervoeren van personen als activiteit hebben, hebben voortaan geen beperking meer op de cumul van onkostenvergoeding en kilometervergoeding. Normaal gezien bestaat er een plafond voor de vergoeding van kosten uit vervoer dat ligt op 2.000 kilometer per jaar per vrijwilliger. Voor deze vrijwilligers wordt een uitzondering ingevoerd. Zij zullen al hun trajecten in het kader van hun vrijwilligerswerk volledig terugbetaald krijgen.

Occasionele geschenken

De wet stelt dat occasionele geschenken die vrijwilligers ontvangen naar aanleiding van bijvoorbeeld de Week van de Vrijwilliger of een sinterklaasfeest niet in aanmerking komen voor het bepalen van de maximumbedragen voor de kostenvergoedingen.

Hoge Raad voor Vrijwilligers wordt versterkt

De wettelijke grondslag van de Hoge Raad voor Vrijwilligers wordt in de Vrijwilligerswet zelf ingeschreven. De wet voorziet bovendien dat iedere nieuwe wetswijziging die een invloed heeft op het vrijwilligerswerk, systematisch zal worden voorgelegd aan de Hoge Raad voor Vrijwilligers. De Raad zal in dat geval een advies verstrekken en kan dat ook op eigen initiatief.