Sociaal-cultureel werk na corona: een klavertje vier

In het kader van het toekomsttraject 'Cultuur na corona' kreeg Socius de opdracht om een brede inventaris te maken van ontwikkelingen en vernieuwende praktijken in het sociaal-cultureel werk waarvan de ontwikkeling versneld werd door de coronacrisis. Hun rapport is klaar en zal samen met drie andere sectorrapporten, waaronder dit rapport van De Federatie over Amateurkunsten, de insteek zijn van een 'Staten-Generaal Cultuur na corona' op 20 december in de AB. We sommen hier de belangrijkste bevindingen op uit dat sectorrapport 'sociaal-cultureel werk na corona'.

Aanpak en opbouw

Socius legde zijn oor te luister bij de sector via een bevraging en focusgroepen, bij docenten sociaal-cultureel werk en bij bovenbouworganisaties. Ook De Federatie ging in gesprek en leverde materiaal aan uit verschillende ledenbevragingen in de coronaperiode. In functie van het rapport keek men met een dubbele bril naar het sociaal-culturele werkveld in coronatijden. Enerzijds werd gepeild naar concrete praktijken die ontstonden, waarom, voor wie, waarover. Anderzijds bevroegen ze wat er in de verdrukking kwam, welke kwetsbaarheden duidelijk werden. Het rapport focus op concrete praktijken en ervaringen en de maatschappelijke agenda die van daaruit duidelijk zichtbaar werd. Wie pasklare antwoorden zoekt, is eraan voor de moeite, maar die zijn er nu eenmaal ook niet. Het rapport wil wel een kader bieden voor een gefaseerde en gedifferentieerde relance op verschillende niveaus.
Het rapport observeert eerst verschillende patronen in de veelheid van praktijken, bundelt die in vijf clusters en brengt daar het nodige reliëf in aan. Men verbindt daar 4 agenda’s aan die sterk met elkaar verweven zijn en gebruikt daarbij het beeld van een klavertje vier. Zo is er de (belangrijkste) maatschappelijke agenda, een agenda voor het cultuurbeleid, een agenda voor de sociaal-culturele sector en een agenda op organisatieniveau. In bijlage vindt men meer info over het gelopen proces en de deelnemers aan de focusgroepen.

Corona was/is een roetsjbaan

Rond welk thema, met welke doelgroep of methodieken een organisatie ook werkte, corona zorgde globaal gezien voor twee grote bewegingen in sociaal-culturele organisaties. Eerst de crisis incasseren, schakelen en blijven schakelen, in overlevingsmodus gaan, vanalles tegelijk regelen, annuleren en uitstellen en veel improviseren. Stilaan kwam er ook ruimte voor reflectie, creativiteit, nieuwe dynamieken en opportuniteiten. Het mag duidelijk zijn: corona zorgde voor een roetsjbaan van emoties en dynamieken op velerlei fronten en in alle richtingen. En sociaal-culturele organisaties zaten bijlange niet stil, wel integendeel. “We zijn nooit gestopt” is dan ook de meest gehoorde opmerking in de sector als gerefereerd wordt naar een ‘relance’, waarbij velen dit woord zelf ook contesteren. Het illustreert net het maatschappelijk belang van de sector dat alle organisaties ook in ongeziene omstandigheden – al dan niet onder de waterlijn – bleven werken aan verbinding en/of het publiek en politiek aankaarten van ongelijkheden en onrechtvaardigheden. Sommige daarvan kwamen overigens door de coronacrisis in alle scherpte naar boven.
“Postcorona” voelt voorlopig als rijden in de mist. Met veel onzekerheid en voorzichtigheid, maar ook optimisme want het sociaal-cultureel werk beleefde en toonde het belang van inclusie, duurzaamheid en solidariteit voor een samenleving.

9 rode draden

Het rapport spreekt over 9 patronen. Met daarbij telkens opnieuw de bedenking dat de diversiteit in de sector zorgt voor een ongelijke herkenbaarheid van die patronen. Twee patronen zijn wel voor alle organisaties herkenbaar, namelijk het ‘actief exploreren van de online ruimte als nieuwe ruimte voor sociaal-culturele praktijk’ en het feit dat organisaties prioritair inzetten op hun verbindende rol in de samenleving. Het gros van de organisaties zette ook actief in op solidariteit met bijzondere alertheid voor maatschappelijk kwetsbare groepen en hield vertrouwde en nieuwe thema’s op de agenda.
De andere patronen in het rapport zijn volgens de auteurs even duidelijk maar kregen telkens andere invullingen naargelang de aard en context van organisaties. Het gaat dan onder meer over kiezen voor innovatieve benaderingen, groots denken en werken, meer politiserend werken en het (her)ontdekken van de publieke ruimte. Een patroon dat zich sowieso, zonder gerichte stimulansen, zal doorzetten, is volgens de sector de digitalisering. Ook de bereidheid om verder te gaan met bepaalde innovatieve concepten is hoog. De neiging/nood om meer politiserend te werken, leeft ook sterk in de sector. De verhoogde aandacht voor solidariteit(sacties) vasthouden, vinden de meeste organisaties zeker wenselijk, maar ze denken dat zich niet zal doorzetten zonder ondersteuning.

Naar een meerjarenrelance

Het rapport besluit met een uitgebreid pleidooi voor een ‘gefaseerd, gedifferentieerd meerjarenrelanceplan’. One shots zijn uit den boze omwille van de eigenheid van elke organisatie en de sector, vanwege de onduidelijke evolutie van de pandemie en de bredere maatschappelijke context. Men concretiseert dat in vier agenda’s waarin permanent monitoren en bijsturen ook centraal zal moeten staan. Een klavertje vier dus, bestaande uit een maatschappelijke agenda, een cultuurbeleidsagenda, een sectoragenda en een organisatieagenda. “Vier verweven en verbonden agenda’s die de basis vormen voor een gezamenlijke strategie waarin complementariteit een sleutelbegrip is.“
Klavertje4
De maatschappelijke agenda loopt voorop. De nieuwe dynamiek binnen het sociaal-cultureel werk vraagt om een gezamenlijke verkenning, een ‘sectoragenda’ als het ware. Daarnaast gaf elke sociaal-culturele organisatie tijdens corona vorm aan een eigen interne agenda. Tot slot kan er uit de ervaringen en patronen ook een agenda voor cultuurbeleid gepuurd worden. Zoals het rapport ook aangeeft zijn deze agenda’s een momentopname en zullen die door dialoog verder geconcretiseerd en mogelijks bijgestuurd worden.

Maatschappelijke agenda

De speerpunten in deze agenda kunnen gelezen worden als een wenslijstje van de sector voor een optimale maatschappelijke indeling met de juiste accenten. Zo wordt opgeroepen om de “(semi)publieke ruimte zo in te richten dat deze maximaal kan bijdragen aan ontmoeting, leren, cocreatie, verbinding, vrije tijd en cultuur” en “maximaal te investeren in verbindende actoren en initiatieven in de samenleving”. Ook innovatie moet ‘gericht zijn op brede maatschappelijke verandering en actief bijdragen aan een democratische, inclusieve, solidaire en duurzame samenleving”. Voorts is er de oproep om eindelijk volop werk te maken van een inclusieve samenleving, een actieplan tegen vereenzaming uit te rollen en structurele ongelijkheid -samen met mentaal welbevinden - bovenaan de beleidsagenda te zetten. Werk maken van werkbaar werk, duurzaamheid en mediawijsheid sluiten het lijstje af.

Sectoragenda

Vanuit de gevoerde gesprekken formuleren de auteurs ook een agenda voor de volledige sector. Daarin staat uitwisseling en leren van elkaar centraal. Over ongeveer alle kernaspecten van sociaal-cultureel werk. Meer specifiek wordt opgeroepen te “experimenteren met nieuwe en wendbare organisatievormen die organisaties meer futureproof maken en actief brede samenwerkingsverbanden te verkennen -ook buiten de social profit - met andere sectoren, in verschillende maatschappelijke domeinen in functie van het aanboren van specifieke expertise, middelen of netwerken.” Er is ook een oproep aan organisaties om het politiserend werken verder uit te diepen, te gaan voor ondernemend leiderschap en nieuwe financieringsmodellen te verkennen. Tot slot wordt de sector aangespoord om te werken aan de zichtbaarheid van hun praktijken en de impact ervan op de samenleving.

Organisatieagenda

Daarbij aansluitend ontwaren de auteurs ook een gedeelde agenda op organisatieniveau. Inzetten op welbevinden van personeel, extra zorg dragen voor de teamwerking en werk maken van goede governanceprocessen zijn daarin speerpunten. Investeren in digitaliseringsbeleid en het nodige materiaal zal ook nodig zijn. De financieringsmix uitbreiden blijft ook een zinvolle oefening. Het vrijwilligersbeleid reactiveren en (deels) heruitvinden is nog iets wat op de radar van alle organisaties staat of zou moeten staan, aldus het rapport.

Cultuurbeleidsagenda

Tot slot formuleren de auteurs een -hier en daar sterk gedetailleerde- agenda voor het Vlaamse cultuurbeleid. Over deze punten gaf De Federatie tijdens corona signalen aan kabinet en departement. Zo zijn er de pleidooien om flexibel om te gaan met de beleidsplanning, visitatie en beoordeling van organisaties; organisaties te ondersteunen in hun digitale ontwikkeling en de financieringsbasis van sociaal-culturele organisaties te versterken.
Voorts roept het rapport beleidsmakers op om meer waardering te tonen voor vrijwilligerswerk, voor het maatschappelijk belang van het sociaal-culturele veld en voor de sociaal-cultureel werker. Het blijft -tot slot- belangrijk om te benadrukken dat verder overleg en participatie van de sector noodzakelijk is bij het verder uittekenen van een meerjarenrelancebeleid.

Lees hier het volledige rapport en de 10 praktijken die Socius in de kijker zet.

De 'oplegger' van Cultuurloket

Cultuurloket coördineerde de opmaak van de verschillende sectorrapporten en puurde uit deze sectorrapporten deze 10 overkoepelende observaties:
  1. De Coronacrisis heeft organisaties en cultuurwerkers gestimuleerd tot een vernieuwde, missiegedreven aanpak.
  2. Organisaties en cultuurwerkers hebben geëxperimenteerd en geïnnoveerd met de digitale ontsluiting van aanbod (artistiek, collectie, vormingsaanbod)
  3. Organisaties geven aan met hun digitaal aanbod meer en nieuw publiek te hebben bereikt.
  4. Het inzetten van digitale communicatie en publiekswerking gebeurt bewuster en met aandacht voor de opbouw van duurzame relaties.
  5. Er is nood aan nieuwe financieringsmodellen voor digitaal aanbod en eigen inkomstenmodellen.
  6. Nieuwe digitale innovaties vragen om nieuwe competenties en functieprofielen.
  7. De organisatieschil van freelance-cultuurwerkers moet opnieuw opgebouwd worden.
  8. De betrokkenheid van vrijwilligers- en leden kende een daling tijdens de crisis.
  9. De crisis leidde tot vernieuwde niveaus van samenwerking in de sector.
  10. De verlaagde digitale drempel werd ingezet voor het opbouwen van nieuwe internationale netwerken en kennisdeling.
Bart Verhaeghe Neem contact op met Bart