Het verenigingswerk: een nieuw statuut in de maak?

De huidige wetgeving rond het verenigingswerk werd in het voorjaar 2020 door het Grondwettelijk Hof vernietigd. Een uitdoofscenario werd voorzien tot eind 2020. Vanuit politieke hoek kwam er echter al snel het signaal dat er naar een oplossing zou worden gezocht. Dit resulteerde in een nieuw wetsvoorstel dat binnenkort besproken zal worden in het federaal parlement.

Onbelast bijverdienen

In 2018 werd de wet op het onbelast bijverdienen - de fameuze ‘bijkluswet’ - goedgekeurd. De wet bood aan iedereen die (minstens 4/5e) werkt of gepensioneerd is de mogelijkheid om onbelast bij te klussen. Jaarlijks kon men tot € 6340 (maandelijks tot € 528) verdienen via onder meer het statuut van verenigingswerk. Een statuut dat vooral in de sportsector, maar ook in amateurkunstenorganisaties en enkele sociaal-culturele organisaties gebruikt werd. Tegelijk rezen er ook kritieken op deze regeling. Dit leidde in het voorjaar 2020 tot een vernietiging door het Grondwettelijk Hof. Het Hof was van oordeel dat de regeling de toets met de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie niet doorstaat. Al snel kwam er vanuit verschillende meerderheidspartijen het signaal dat er naar een oplossing zou gezocht worden.

Voor 2021 zal een oplossing moeten worden uitgewerkt door het parlement of een nieuwe regering
Maggie De Block

Politieke wil aanwezig. Een oplossing in de maak?

Begin juli kwam vervolgens het bericht dat Open Vld - kamerleden Tania De Jonge en Egbert Lachaert een wetsvoorstel hadden ingediend waarin ze, in tegenstelling tot de vernietigde wet rond het onbelast bijverdienen, enkel focussen op het verenigingswerk. Ze gaven ook aan dat ze voor dit wetsvoorstel rekening hielden met de verzuchtingen van het Grondwettelijk Hof. Het wetsvoorstel behoudt de voorwaarde dat mensen minstens 4/5e moeten werken om verenigingswerk te kunnen doen. Ook het plafond van de maximale vergoeding wordt behouden. De inkomsten worden echter niet meer volledig (para)fiscaal vrijgesteld.  In het voorstel wordt een sociale bijdrage van 10% opgenomen.

Verenigingswerkers zullen maximaal 50 uren verenigingswerk per maand kunnen presteren. Het voorstel wil hen ook beter beschermen. Zo worden er onder andere regels voorzien met betrekking tot het werkrooster, gewaarborgde rustpauzes en een kader voor een beperkte opzegtermijn en -vergoeding.

Het wetsvoorstel is ingediend in de Kamer van Volksvertegenwoordigers en zal de komende weken besproken worden in de commissie Sociale Zaken.

Nog een aantal aandachtspunten

Tania De Jonge Open Vld

Net zoals in de vernietigde wet wordt ook in het recente voorstel het statuut beperkt tot een - weliswaar uitgebreide - lijst van functies. De wijze waarop deze functielijst tot stand is gekomen is echter onduidelijk. Afstemming met de verschillende betrokken sectoren lijkt ons noodzakelijk om tot een gedragen, beperkte functielijst te komen zodat enkel die functies worden opgenomen waarvoor er duidelijk nood is aan een apart statuut. In eerste instantie denken we dan aan functies binnen de sportsector en de sector van de amateurkunsten, maar bijvoorbeeld ook aan de lesgevers in de socioculturele sector. 

Het voorstel zoals het nu voorligt bevestigt ook de ongelijkheid tussen personen in werkloosheid en personen die wel een 4/5e tewerkstelling hebben. We pleiten om dit statuut open te stellen voor personen in werkloosheid, zeker gezien de fiscaliteit die mee is opgenomen in het voorstel.

Ook de wachtperiode van een jaar voor personen die verbonden waren aan de organisatie via een aannemingscontract zorgt volgens ons voor een ongelijke behandeling binnen verenigingen. Zo moeten personen die via een fiscale fiche of als freelancer prestaties hebben geleverd voor een bepaalde organisatie een jaar wachten alvorens zij aan de slag kunnen gaan als verenigingswerker. Het wetsvoorstel voorziet reeds een uitzondering voor personen die in het kader van de 25-dagen regeling prestaties leverden. Voor hen geldt de wachttijd van een jaar niet. Wij pleiten om deze uitzonderingsregel uit te breiden. Voor De Federatie staat verenigingswerk volledig los van het vrijwilligerswerk. De belangeloze inzet van vele honderdduizenden mensen wordt via een aparte wet geregeld. Het is belangrijk dat deze vrijwilligerswet enkel dit doel beoogt. Het is dan ook méér dan symbolisch om beide termen niet door elkaar te gebruiken, ook niet in de toelichting bij het wetsvoorstel. Verenigingswerk is geen 'vrijwilligerswerk-plus'.  We kijken alvast vol verwachting uit naar de bespreking in de kamer.