SARC over culturele bovenbouw: versterk samenwerking én de band met het werkveld
donderdag 24 september 2026
Meer samenwerking en kennisdeling binnen de culturele bovenbouw kan het culturele veld versterken. Dat onderschrijft de SARC in zijn ontwerpadvies over de conceptnota ‘Slagkracht vanuit samenwerking’ van minister Gennez. Maar de raad stelt wel fundamentele vragen bij de nota. Over de beoogde meerwaarde voor het veld, rechtstreekse betrokkenheid van de sectoren en garanties voor het behoud van sectorale expertise en nabije ondersteuning.
Forse besparingen als de kip en het ei
In februari van dit jaar kondigde cultuurminister Caroline Gennez een forse besparing aan de bovenbouw. Het gaat om sectorale en transversale steunpunten en digitale spelers, waaronder Socius, OP/TIL, Cultuurloket, Cultuurconnect, meemoo en publiq. Vanaf 2027 zouden zij samen twee miljoen euro moeten inleveren. De minister kondigde ook een conceptnota aan over die bovenbouw, tegen de zomer. De nota is klaar en kiest -omwille van de besparingen- uitdrukkelijk voor een “gefocuste set van samenwerkingsthema’s en acties”. De strategische adviesraad voor o.a. cultuur (SARC) bracht hierover nu een advies uit.
Met de conceptnota wil minister van Cultuur Caroline Gennez -omwille van “de huidige budgettaire context”- vooral de samenwerking tussen tien ‘kernorganisaties’ versterken. De nota voorziet samenwerking rond interne ondersteunende processen, dienstverlening, kennis en onderzoek, en gedeelde beleidsthema’s.
De SARC erkent de kansen daarvan, maar het is niet duidelijk welke problemen de voorgestelde aanpak precies moet oplossen. Dienstverlening, efficiëntie, beleidsuitvoering en mogelijke besparingen lopen volgens de raad te veel door elkaar. De centrale vraag moet telkens zijn: welke meerwaarde levert de samenwerking op voor het culturele veld?
Sectorsteunpunten moeten dicht bij hun sector staan
De SARC benadrukt het belang van sectorsteunpunten die hun werkveld van nabij kennen. Hun permanente contacten moeten expertise opbouwen en tijdig noden zien. Die nabijheid maakt ondersteuning op maat mogelijk.
De conceptnota erkent die sectorale verankering, maar het komt erop aan ze ook bij de uitvoering te versterken stelt de SARC. Nieuwe samenwerkingsopdrachten mogen niet ten koste gaan van de noodzakelijke sectorondersteuning: “Er bestaat immers een grens aan efficiëntiewinst wanneer daardoor de relatie met het veld, de kennisopbouw en de inhoudelijke expertise worden uitgehold”, zo lezen we.
Betrek het werkveld vanaf de eerste keuzes
Volgens de SARC is rechtstreekse inbreng van organisaties uit het culturele werkveld noodzakelijk in alle fases van het traject. Ook bij het bepalen en prioriteren van de noden moeten zij mee aan tafel zitten.
De raad vraagt bovendien meer transparantie over het overleg dat aan de conceptnota voorafging. Wie werd betrokken? Welke behoeften kwamen naar voren? Wat werd daarmee gedaan en welke ruimte blijft er voor bijsturing?
Ook de keuze voor tien ‘kernorganisaties’ verdient volgens de SARC een duidelijkere onderbouwing. Die afbakening mag geen gesloten geheel worden. Afhankelijk van het thema moeten ook andere Vlaamse, bovenlokale en lokale spelers en externe deskundigen kunnen aansluiten. (Eerder gaven wij bijvoorbeeld ook al aan dat sinds een achttal jaar geleden het steunpunt voor de amateurkunsten is afgeschaft, deze sector ook uit de scope van de onderzoeksagenda is verdwenen).
Bewaak de eigen rol van steunpunten
De SARC erkent de regierol van het departement, maar vraagt een heldere afbakening van verantwoordelijkheden. Steunpunten ontlenen hun meerwaarde aan hun specifieke expertise en hun onafhankelijke positie tegenover het beleid.
Wanneer zij tegelijk sectorondersteuning, beleidsvoorbereiding en beleidsuitvoering opnemen, kunnen spanningen ontstaan. Daarom moeten hun inhoudelijke en organisatorische autonomie gewaarborgd blijven. Er moet ook ruimte blijven voor initiatieven en vernieuwing die vanuit het werkveld ontstaan.
Samenwerking vraagt maatwerk en capaciteit
Gezamenlijke administratieve processen zijn voor de SARC van een andere orde dan inhoudelijke samenwerking of een gedeelde toegangspoort voor ondersteuningsvragen. Een centraal loket is niet vanzelfsprekend de beste oplossing voor vragen die een sectorspecifieke aanpak vereisen.
Bovendien vraagt structurele samenwerking, zeker bij de opstart, extra tijd en capaciteit. “Dat geldt zowel voor de steunpunten die bijkomende opdrachten opnemen als voor het departement, waarvan tegelijk een sterkere regierol wordt verwacht. Deze verschillende capaciteitsnoden moeten expliciet en afzonderlijk in kaart worden gebracht. De SARC stelt daarom vast dat een spanningsveld kan ontstaan wanneer nieuwe samenwerkingsopdrachten worden toegevoegd terwijl de beschikbare middelen reeds onder druk staan.”
De SARC vraagt ten slotte duidelijke prioriteiten in de voorgestelde transversale beleidsthema’s. De verdere uitwerking moet vertrekken van de behoeften van zowel overheid als werkveld, met voldoende ruimte voor evaluatie en bijsturing. Samenwerking is daarbij een middel om de ondersteuning te verbeteren, geen doel op zich.
Kortom, de SARC vraagt “dat de hervorming vertrekt vanuit een helder beeld van de verschillende behoeften: zowel de behoeften van de overheid als die van de sectoren en de organisaties die hen ondersteunen. Een ruime ‘bottom-up’ inbreng vanuit het culturele werkveld en respect voor de autonomie van de sector moeten daarbij de leidraad vormen.”
