Als talent(ontwikkeling) toch niet boven komt drijven

Het is niet van hun gewoonte, maar vandaag zit het de amateurkunstensector hoog. Vlaanderen nam in 2017 het provinciale beleid rond talentontwikkeling/kwaliteitsbevordering bij lokale groepen en amateurkunstenaars over en zou hier rond een ambitieus beleid neerzetten. Landelijke organisaties werden uitgenodigd om hierin ten volle partner te zijn en aangejaagd om concrete plannen uit te tekenen. In de uiteindelijke beslissing voelen zij deze ambitie geenszins.  

Koffie- talentontwikkeling

Van provincies naar Vlaanderen

Even terug in de tijd: onder het cultuurbewind van Joke Schauvliege werd het gros van de structurele cultuursubsidies overgeheveld naar Vlaanderen en toegevoegd aan de enveloppen van de betrokken organisaties. De huidige regering besloot een stap verder gaan en meteen alle cultuurbevoegdheden van de provincies schrappen. 

Belangrijk voor de amateurkunsten, want intussen was in de provincies een sterke traditie ontwikkeld om via wedstrijden, festivals en projecten kwaliteitsvolle verenigingen en kunstenaars een financieel duwtje in de rug te geven. Met deze middelen konden zij hun kwaliteit nog aanscherpen. Zo gingen jarenlang heel wat middelen rechtstreeks naar de lokale amateurkunstenwereld. Provinciale diensten spaarden (personeels)kosten noch moeite om deze initiatieven op te zetten. Deze provinciale beleidslijnen mochten niet het slachtoffer worden van de afschaffing van de provinciale bevoegdheid, vond Vlaams cultuurminister Gatz. De middelen werden overgeheveld naar Vlaanderen en de betrokken (lokale) verenigingen kregen, bij wijze van warme overdracht, in 2018 en 2019 hun inkomsten gegarandeerd. Tijd genoeg dus om samen met de sector aan de slag te gaan over hoe het vanaf 2020 zou verlopen. Lokale werkingen zouden immers best tijdig geïnformeerd worden over wat er vanaf volgend jaar nog wel en niet meer is.

Ambitie voor een nieuw verhaal

Begin 2018 vroeg het kabinet van minister Gatz dan ook aan de landelijke amateurkunstenorganisaties om een nota klaar te stomen. Boodschap: werk iets uit dat verder gaat dan de huidige praktijk van (vooral) wedstrijden en festivals, focus op een (ver)nieuw(d)e strategie rond talentontwikkeling en kwaliteitsbevordering, ga uit van een groeiscenario. Dit zou dan meteen een nieuwe beleidslijn worden in het Vlaams cultuurbeleid, concreet vertaald naar de diverse kunstdisciplines. Met twee organisaties (Poppunt en KUNSTWERKT) werden zelfs al concrete afspraken gemaakt om meteen specifieke provinciale projecten verder uit te rollen over heel Vlaanderen.

Werken aan en denken over verandering? Geen probleem, de organisaties maakten veel tijd en energie vrij om een nieuwe aanpak te ontwikkelen en om een draagvlak, zelfs enthousiasme, op te wekken bij de leden. Kabinet, administratie en organisaties vonden elkaar in een ambitie om van talentontwikkeling en kwaliteitsbevordering een straffe beleidslijn te maken. “The sky” leek zelfs even “the limit” te zijn, want bij de overheid zag men ook kansen om personeel van de provincies (zij gingen over naar Vlaanderen) in te zetten, om ook in 2019 al wat middelen te voorzien zodat organisaties alles in gereedheid konden brengen om het nieuwe beleid er in 2020 ten volle te laten staan. 

(On-)geduldig wachten

Al deze dynamieken leidden in mei 2018 tot nota’s van de organisaties, in lijn met de aandachtspunten en perspectieven die het kabinet had meegegeven, met ambitie en goesting. De overheid kon hiermee aan de slag en rond de zomer zou minister Gatz beslissen, zodat afspraken konden worden gemaakt en gecommuniceerd aan de duizenden amateurkunstengroepen.  

Juli werd september en ging geruisloos over in oktober. Begin november vroeg Marius Meremans (N-VA) in de Commissie Cultuur aan minister Gatz naar de stand van zaken. Hij engageerde zich om voor het einde van het jaar rond te zijn, want “er is nog nood aan verdere analyse van de nota’s en concrete actieplannen”, zo stelde hij vast.

Van verbaasd naar verontwaardigd in één minuut

En inderdaad, het was kerstavond toen de organisaties een brief in de bus kregen. De verrassing was groot, want de uiteindelijke beslissing bleek een eenvoudig raster te zijn: vier organisaties krijgen vanaf 2020 elk evenveel (225.000 euro), één organisatie krijgt 100.000 euro voor het uitrollen van één of meerdere projecten en de twee overige organisaties… niets.

En de lokale werkingen dan? Geen nood, zo stond in de brief van de minister, de middelen die naar de lokale werkingen gingen, krijgen een plaats in het nieuwe decreet op de bovenlokale cultuurwerking. Ruimte, dus, voor de lokale werkingen om op dit decreet projectaanvragen in te dienen. Rond dat nieuwe decreet werden ook infomomenten georganiseerd, waar de boodschap anders was: neen, dit decreet is daar niet echt voor bedoeld, al was het maar omdat je - om een project te mogen indienen - een vzw moet zijn (heel wat lokale werkingen zijn een feitelijke vereniging). Maar, zo klonk, het tijdens de infomomenten, geen nood, want de landelijke organisaties krijgen extra middelen vanaf 2020. De telefoons bij de koepelorganisaties stond dan ook roodgloeiend.  Of zij konden garanderen dat zij middelen zouden doorstorten aan de lokale werkingen? Neen, dat konden zij niet, al was het maar omdat dat niet thuishoort in de nieuwe beleidslijn rond talentontwikkeling. Bovendien, zo rekende bijvoorbeeld VLAMO uit, krijgt de landelijke organisatie 225.000 euro, terwijl de 421 lokale groepen samen 478.000 euro ontvingen van de provincies.

De verrassing maakte dus snel plaats voor verbazing en ging naadloos over in verontwaardiging. Want wat moesten zij nu communiceren aan de lokale werkingen, wat met de plannen die onvoldoende gefinancierd worden, wat met de voorbereidingstijd in 2019, wat met het perspectief van destijds om ook (ex-provinciaal) personeel over te hevelen?  En hoe kan je verantwoorden dat voor bepaalde kunstdisciplines (jazz, folk, film, foto,…) een beleid rond talentontwikkeling als niet relevant wordt beschouwd omdat voor de betrokken landelijke organisaties geen middelen in het vooruitzicht worden gesteld?

Het kan opgelost worden, maar de tijd dringt

De Federatie is sinds eind 2018 - het moment van de intrede van de amateurkunstenorganisaties in onze werking - betrokken bij het dossier. Het was voor ons duidelijk dat er de afgelopen jaren veel ruis is ontstaan in de overheidscommunicatie aan de amateurkunstenorganisaties. Ook minister Gatz stelde dit begin november in de Cultuurcommissie vast: “er is nu een bepaalde onduidelijkheid ontstaan: met betrekking tot verwachtingen, aspiraties en misschien ook bepaalde mededelingen”. De beslissing, eind december, versterkte dit, want organisaties beleven dit als een te sterke verwatering van de ambitie die hen steevast was voorgespiegeld.

Een contact met het kabinet drong zich op: twee keer zaten de organisaties daar, samen met ons, rond de tafel: op 10 en 29 januari. De vragen waren helder: zorg ervoor dat élke kunstdiscipline deel kan uitmaken van de nieuwe beleidslijn rond talentontwikkeling, voorzie een opstap in 2019 zodat de plannen vanaf 2020 een wervende realiteit kunnen worden, veranker zo goed mogelijk een reëel budgettair groeiperspectief waarop ook de volgende cultuurminister kan verder werken, én: maak het expliciet mogelijk voor lokale werkingen om in de context van het decreet bovenlokale cultuurwerking ondersteuning te kunnen verwerven op basis van de middelen die vanaf 2020 worden overgeheveld.    

In eigen woorden

Het kabinet engageerde zich om snel na te gaan of nog kon worden geremedieerd. Opnieuw wachtten de organisaties geduldig. Maar, op de valreep van het einde van de legislatuur, blijft het windstil. Het geduld is op, zo blijkt uit de reacties die wij van de organisaties krijgen. Enkele onder hen verwoorden hun zorgen en teleurstelling in deze nieuwsbrief. Donderdag komt dit probleem ook aan bod in de Commissie Cultuur van het Vlaams Parlement.