Betoging lage resolutie web 42

Conceptnota nieuw sociaal-cultureel decreet zit op het goede spoor, maar vliegt paar keer uit de bocht

Dossier: Decreet Sociaal-Cultureel Volwassenenwerk

Op 17 juli keurde de Vlaamse regering de Conceptnota voor een vernieuwd decreet sociaal-cultureel volwassenenwerk goed. De conceptnota vertrekt van een brede invulling van het sociaal-cultureel volwassenenwerk. Tegelijk bevat de conceptnota belangrijke voorstellen om de planlast te verminderen en de praktijk van organisaties centraler te stellen. De Federatie wil erop toezien dat deze uitgangspunten in de verdere uitwerking behouden blijven. Toch blijven er nog een aantal bezorgdheden en punten die verdere uitwerking vragen, onder meer het elementaire karakter van het doelstellingenkader, voldoende ruimte voor dialoog en repliek en de verdere uitwerking van het criterium rond maatschappelijke innovatie.

Disclaimer: De concrete impact van de aangekondigde besparingen voor 2027 op het sociaal-cultureel volwassenenwerk is nog niet duidelijk. Wat nu wél al duidelijk is, is dat de besparing van 7,3% na de besparing van 4,3% vorig jaar, een serieuze impact heeft op de sector in zijn geheel. Wat de gevolgen zijn voor het nieuwe decreet, is voorlopig onduidelijk. De Federatie volgt dit verder op en blijft bewaken dat de inhoudelijke ambities van de conceptnota ook in de verdere uitwerking overeind blijven.

👉 Over de grote risico's die verbonden zijn aan de manier waarop de conceptnota 'regionale sociaal-culturele organisaties' inkleurt, lees je dit apart artikel.

👉 De SERV en de Verenigde Verenigingen maken zich oprecht zorgen over dit voorontwerp van decreet dat extremisme en subsidiefraude wil bestrijden. Hoe verhoudt dit zich tot een toekomstig nieuw decreet op het sociaal-cultureel volwassenenwerk?

De brede invulling blijft behouden

De conceptnota situeert het sociaal-cultureel volwassenenwerk binnen het Vlaams cultuurbeleid en bevestigt de vier sociaal-culturele functies als ruggengraat van het decreet en van de sector. Dat is essentieel. Organisaties blijven vanuit hun eigen missie mensen, groepen en gemeenschappen verbinden, ruimte creëren voor kritische reflectie op maatschappelijke vraagstukken en samen met mensen en groepen collectieve antwoorden daarop verkennen en verbeelden.Die erkenning van de eigenheid en autonomie van sociaal-culturele organisaties is voor De Federatie een belangrijke basis voor het verdere traject. Het nieuwe decreet moet organisaties de ruimte blijven geven om vanuit hun eigen praktijk en maatschappelijke opdracht te werken.

Conceptuele helderheid: meer ruimte voor sociaal-culturele praktijken

De conceptnota vereenvoudigt het conceptuele kader. Organisaties zullen niet langer verplicht worden om afzonderlijke visies uit te schrijven op de sociaal-culturele functies en rollen. De beoordeling zal gebeuren aan de hand van kernpraktijken in plaats van uitgewerkte visieteksten. De verbindende en kritische rol hoeven niet langer afzonderlijk gemotiveerd te worden, omdat ze in de praktijk al vanzelfsprekend deel uitmaken van de werking van sociaal-culturele organisaties. Dat kan de planlast aanzienlijk verlagen.De cultuurfunctie wordt helderder afgebakend als culturele belevingsfunctie, met een meer specifieke focus op het deelnemen aan en beleven van kunst- en cultuurpraktijken. Deze scherpere afbakening moet organisaties in staat stellen de culturele belevingsfunctie bewuster op te nemen binnen hun eigen functiemix. Ook voor beoordelingscommissies is zo’n verduidelijking welkom.  De laboratoriumrol verdwijnt als afzonderlijke rol, maar de aandacht voor maatschappelijke vernieuwing die zo eigen is aan het sociaal-cultureel werk blijft behouden via een criterium rond maatschappelijke innovatie. De conceptnota wil dit criterium ruimer en duidelijker omschrijven dan de huidige laboratoriumrol. Dat is positief, want de laboratoriumrol leidde in de praktijk geregeld tot onduidelijkheid bij zowel organisaties als beoordelingscommissies.De voorgestelde definitie van maatschappelijk innoveren – het proces waarbij mensen, groepen en gemeenschappen via experiment nieuwe antwoorden op maatschappelijke vraagstukken verkennen, uittesten en zichtbaar maken – beantwoordt echter nog niet aan die beoogde ruime invulling. 

Planlastvermindering: ambitie en aandachtspunten

Planlastvermindering is een belangrijk uitgangspunt, zowel voor de sector als in het politieke debat. De conceptnota zet op dat vlak heel duidelijke stappen.Bij de beoordeling en evaluatie komen de sociaal-culturele praktijken van organisaties veel centraler te staan. Ook de finaliteit van beoordeling en evaluatie wordt scherper afgebakend, waardoor dubbel werk in de toekomst vermeden wordt.Om subsidies te verkrijgen dienen organisaties nog steeds een beleidsplan in, maar dat beleidsplan vertrekt van een vereenvoudigd beoordelingskader en legt meer nadruk op het doelstellingenkader en de praktijken van de organisatie voor de komende beleidsperiode. De evaluatie van de werking krijgt vervolgens een andere finaliteit. In plaats van een zwaar voortgangsrapport met een diepgaande evaluatie en verstrekkende gevolgen, wordt de evaluatie toegespitst op de uitvoering van het doelstellingenkader. Daartoe dient een organisatie jaarlijks een jaarrapport in met concrete acties. Dit sluit dichter aan bij de manier waarop organisaties in de praktijk plannen, bijsturen en evalueren.Tegelijk blijven we waakzaam dat het uitgangspunt van planlastvermindering ook overeind blijft in de verdere uitwerking van het beoordelingskader, de procedures en de concrete verwachtingen ten aanzien van organisaties.De conceptnota stelt echter ook dat de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën een steeds nauwgezetter toezicht op de toekenning en verantwoording van subsidies voorschrijft. Hoe verhoudt die evolutie zich tot de ambitie om de planlast voor organisaties daadwerkelijk te verminderen? Ook hierover moet voldoende duidelijkheid komen.

Meer dialoog, maar ook nood aan voldoende repliek

Een ander belangrijk aandachtspunt is de manier waarop de conceptnota inzet op dialoog en repliek. De conceptnota kiest voor dialoogmomenten in plaats van één visitatie tijdens de beleidsperiode. Dat is een goede evolutie. Het is belangrijk dat er voldoende ruimte is voor gesprek over de voortgang van het doelstellingenkader en over de manier waarop organisaties met eventuele aanbevelingen omgaan.Tegelijk is één dialoogmoment  te weinig om evoluties doorheen een beleidsperiode echt in beeld te brengen. Een werking van vijf jaar laat zich immers niet vatten in één gesprek, zeker bij organisaties die aan de slag zijn met aanbevelingenDe conceptnota voorziet vandaag ook nog onvoldoende in de betrokkenheid van externe deskundigen bij de dialoogmomenten. Het samenspel tussen deskundigen van het departement en externe deskundigen zorgt net voor een rijker gesprek over de werking van een organisatie. Ook de mogelijkheden voor repliek, bijvoorbeeld op een advies van de beoordelingscommissie over het beleidsplan, moet nog verder worden uitgewerkt. Voldoende momenten van dialoog en wederwoord dragen bij aan de rechtszekerheid van organisaties én aan betere en meer kwaliteitsvolle adviezen. Dit verdient de nodige zorg in het verdere traject richting een nieuw decreet.

Het doelstellingenkader als elementair criterium?

Een ander punt waarover de sector bezorgd is, is het voorstel om het doelstellingenkader als een zogenaamd elementair criterium te beschouwen. Net zoals vandaag zijn een aantal criteria elementair: een onvoldoende op één van deze criteria leidt automatisch tot een negatief subsidieadvies. Bovendien is een negatief advies na de beoordeling van het beleidsplan een uitzonderlijke maatregel, die de stopzetting van de subsidie tot gevolg heeft. Het ligt dan ook voor de hand dat een organisatie een dergelijke ernstige tekortkoming al tijdens de dialoogmomenten in de voorafgaande jaren moet kunnen zien aankomen. Zo krijgt de organisatie tijdig de kans om bij te sturen.Bij de drie andere elementaire criteria kan een tekortkoming tijdens de dialoogmomenten aan bod komen. Bij het doelstellingenkader ligt dat anders. Tijdens die dialoogmomenten kan men nog niet inhoudelijk ingaan op het doelstellingenkader voor de volgende beleidsperiode, omdat dit op dat moment nog niet is opgesteld. Het elementaire karakter van het doelstellingenkader moet daarom herbekeken worden.

Duidelijkheid over differentiatie

Een belangrijke ambitie van de conceptnota is om explicieter te differentiëren in de verwachtingen ten aanzien van organisaties. Van een kleine organisatie kan niet hetzelfde verwacht worden als van een zeer grote organisatie. Het huidige decreet maakt niet altijd helder wat precies van organisaties wordt verwacht. Het nieuwe decreet wil daarom beter aansluiten bij de heterogeniteit van de sector en het beoordelingskader afstemmen op de realiteit van verschillende werkingen. Dat uitgangspunt kunnen we onderschrijven. De manier waarop dit in de conceptnota concreet wordt uitgewerkt, is echter nog onvoldoende duidelijk. Hoe de differentiatie precies zal doorwerken in verwachtingen, beoordeling en procedures moet in het verdere traject dan ook grondig worden uitgeklaard.

Instroom en uitstroom: kansen én rechtszekerheid

Instroom via een incubatietrajectVoor nieuwe organisaties wordt een afzonderlijk incubatietraject voorzien op basis van een beperkt dossier. Daarmee krijgen organisaties de kans om te groeien op het vlak van schaalgrootte, kwaliteit van de werking, professionaliteit en goed bestuur. Voor nieuwe organisaties kan zo'n traject de planlast verlagen en tegelijk zorgen voor een betere voorbereiding op een volwaardige erkenning. Voor regionale organisaties wordt dit traject verplicht, voor organisaties die een landelijke erkenning beogen, wordt dit sterk aanbevolen. Vanuit de ambitie om de instroom laagdrempelig te houden en de planlast te beperken – ook voor de administratie – pleiten wij ervoor dat dit ook voor landelijke organisaties verplicht wordt.UitstroomWat de uitstroom betreft voorziet de conceptnota in twee procedures. Uitstroom is mogelijk na een negatieve beoordeling van het beleidsplan of na een opvolgtraject tijdens de eerste drie jaar van de beleidsperiode. Tijdens dit opvolgtraject – “verhoogd toezicht” in de conceptnota -  heeft de organisatie drie jaar tijd om aan de slag te gaan met de geformuleerde aanbevelingen. Indien blijkt dat de organisatie de werking onvoldoende heeft bijgestuurd, kan worden geadviseerd om de subsidie vanaf het vierde jaar van de beleidsperiode stop te zetten. Gezien de impact van beide procedures – ze kunnen immers leiden tot de stopzetting van de subsidie – moeten ze met de nodige zorg en aandacht voor rechtszekerheid en transparantie worden uitgewerkt.Procedures moeten transparant zijn en organisaties moeten voldoende mogelijkheid krijgen voor dialoog en repliek. De verdere uitwerking moet dan ook zorgen voor een rechtszeker kader waarin organisaties weten wat van hen wordt verwacht, tijdig kunnen bijsturen en zich kunnen verweren wanneer dat nodig is.

Projectlijnen in de conceptnota

De projectregeling voor bovenlokale sociaal-culturele projecten rond maatschappelijke uitdagingen wordt opengesteld voor erkende sociaal-culturele organisaties. Waar deze projectlijn in het verleden enkel toegankelijk was voor organisaties die nog niet erkend waren binnen het decreet sociaal-cultureel volwassenenwerk, ontstaat zo meer ruimte voor erkende organisaties om projectmatig in te spelen op maatschappelijke uitdagingen.Ook wordt de uitbouw van een volwaardige internationale projectlijn aangekondigd.

Een zorgvuldige overgang is belangrijk

De conceptnota bevat dus heel wat elementen die perspectief bieden op een eenvoudiger, duidelijker en meer toekomstgericht decreet. Maar de verdere uitwerking zal minstens zo belangrijk zijn als de principes die vandaag op papier staan.Dat geldt ook voor de overgang van het huidige naar het nieuwe decreet. Organisaties moeten voldoende duidelijkheid en tijd krijgen om zich op de nieuwe regelgeving voor te bereiden. De overgang moet zorgvuldig worden vormgegeven, met aandacht voor rechtszekerheid en continuïteit.De komende maanden volgt De Federatie dit verder op. We streven naar een decreet dat niet alleen op papier minder planlast en meer vertrouwen belooft, maar dat dit ook in de praktijk mogelijk maakt: een helder, rechtszeker en toekomstgericht kader waarin sociaal-culturele organisaties de ruimte krijgen om te doen waar ze sterk in zijn.