KBS berekent economisch gewicht van verenigingen in België

De verenigingssector is ontegensprekelijk een belangrijke actor in de Belgische samenleving, maar wat is precies zijn economische gewicht? Om dat te meten werkt de Koning Boudewijnstichting samen met de Nationale Bank van België die sinds 2004 een satellietrekening van de 'Instellingen zonder winstoogmerk' publiceert. Samen presenteren ze nu de vierde editie van deze analyse, die slaat op 2009 tem 2017.  

"Overige diensten"

Het onderzoek identificeert enkele 'bedrijfstakken' die niet altijd even herkenbaar zijn voor organisaties in Vlaanderen. Zo behoort ongeveer het volledige sociaal-cultureel werk tot de categorie "overige diensten", met ruim 36% de grootste groep van alle bekeken izw's. Tot deze 'overige diensten' behoren ook de vakbonden, politieke partijen, beroepsverenigingen, religieuze organisaties, jeugdverenigingen, organisaties actief in de ziektepreventie, milieu- en mobiliteitsverenigingen enz.
De bedrijfstak ‘maatschappelijke dienstverlening’ omvat woonzorgcentra, residentiële diensten voor personen met een beperking, opvanghuizen voor mensen in moeilijkheden, hulpdiensten voor vluchtelingen, verenigingen die bejaarde en zieke mensen bezoeken en ook maatschappelijke organisaties met een specifieke competentie, zoals het Rode Kruis en Artsen zonder Grenzen. Amateurkunsten worden geval onder de bedrijfstak "kunsten, amusement en recreatie". In zijn totaliteit blijft de bruto toegevoegde waarde van de sector - meer dan gemiddeld in vergelijking met de totale economie - stijgen. Weliswaar minder snel vanaf 2014. Het zijn voornamelijk de organisaties die actief zijn in de ‘menselijke gezondheidszorg’ (niet-openbare ziekenhuizen, wijkgezondheidscentra, gezondheidscentra) en in ‘maatschappelijke dienstverlening’ die voor deze stijging zorgen. 
Kbs

Sociaal-cultureel werk is ingedeeld bij 'overige diensten'.

Sector is belangrijke werkverschaffer

De izw’s vormen een zeer arbeidsintensieve sector: met hun 497.400 betaalde werknemers in 2017 bedraagt het aandeel in de totale betaalde werkgelegenheid in de Belgische economie 12,6%, wat veel meer is dan hun gewicht in de creatie van toegevoegde waarde. Van 2009 tot 2017 was de verenigingssector goed voor netto 81.700 bijkomende arbeidsplaatsen, een stijging van 19,7%, tegenover 4,1% in de rest van de economie. Deze Belgische cijfers stroken met de internationale tendensen: zo bevestigt een recente Europese studie dat de werkgelegenheid in de derde sector 13% van de gesalarieerde werkgelegenheid in Europa uitmaakt. Een Amerikaanse studie heeft het over 10% van de werkgelegenheid in de not for profit-sector. 
Kbs2

Evolutie werkgelegenheid.

Meer deeltijdse en minder goed betaalde jobs

Uitgedrukt in aantal gewerkte uren of in het totaal van de bezoldigingen is het aandeel van de izw’s in de economie iets minder groot dan wanneer het aantal werknemers in rekening wordt gebracht. Dat is een gevolg van het feit dat deeltijds werken (al dan niet vrijwillig) meer verspreid is in de sector van de izw’s en dat de lonen er lager zijn dan het gemiddelde. De izw’s zijn een zeer arbeidsintensieve en weinig kapitaalintensieve sector. Dat weerspiegelt zich in de structuur van hun productiekosten (bezoldigingen zijn goed voor 57,6% daarvan, tegenover 21,6% bij de vennootschappen). Hun investeringsbestedingen liggen op een lager niveau als je vergelijkt met de bijdrage van de verenigingssector aan de totale toegevoegde waarde in België. Bij de vennootschappen zie je een investeringsbedrag per gesalarieerde werknemer dat bijna vier keer hoger is dan bij de izw’s. Wat de middelen betreft, die komen hoofdzakelijk uit overheidsfinanciering, vooral in de meest arbeidsintensieve bedrijfstakken.

Brussel

Tot slot: uit een analyse van de verdeling per gewest blijkt dat Brussel afwijkt van de andere twee gewesten in ons land. Door zijn functie als nationale en Europese hoofdstad telt het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in verhouding méér izw’s, maar zij stellen minder gesalarieerd personeel te werk. Het gaat in hoofdzaak om verenigingen die de belangen van bepaalde groepen behartigen of die hun ideeëngoed propageren. Vandaar dat de izw’s in Brussel, ondanks hun grotere aantal, iets minder wegen op de globale werkgelegenheid dan in Vlaanderen en Wallonië.
Kbs1

Evolutie van inkomsten(bronnen).

Bart Verhaeghe Neem contact op met Bart