Investeren in sociaal-cultureel werk: het kàn

“Ik heb altijd gezegd dat dit nieuwe beleidskader met nieuwe middelen moet gepaard gaan. Dit moet op tafel liggen van de volgende minister van Cultuur. Dat is de consequentie van onze keuze”. Dixit cultuurminister Sven Gatz in Wascabi 2018. We kunnen hem hierin alleen maar bijtreden.

In dit artikel werpen we een blik op de investeringsagenda voor het sociaal-cultureel volwassenenwerk. Woensdag smijten we ons op de noodzaak aan bijkomende ondersteuning van de "booming business" van de amateurkunstensector. 

2020: pompen of verzuipen

Een decennium lang stond de begrotingsversnelling voor onze sector achtereenvolgens in achteruit of neutraal. Het is meer dan tijd dat de Vlaamse regering daden bij woorden voegt: een investeringsagenda voor het sociaal-cultureel ondernemerschap in àlle uithoeken van Vlaanderen en Brussel.  In 2020, wanneer men beslissingen neemt over de subsidies voor 2021-2025, wordt het pompen of verzuipen, zoveel is zeker.

Een gigantisch maatschappelijk labo

Het gaat niet enkel over een nieuw decreet dat ambitie toont en hiervoor middelen nodig heeft, maar het gaat in de eerste plaats over investeren in een maatschappelijk project. Een project dat er tot op vandaag in slaagt om honderdduizenden vrijwilligers te enthousiasmeren en jaarlijks miljoenen mensen op de been te brengen. Een project dat handen en voeten geeft aan sociale cohesie, burgerinitiatief, innovatie in solidariteit op wijk- en buurtniveau enz; een project dat erin slaagt belangrijke maatschappelijke veranderingen tot bij mensen te brengen en de polsslag van grote groepen bij de veranderingen die bezig zijn.

Onzekerheid, eenzaamheid, onverdraagzaamheid,  onvoldoende duurzaamheid… De samenlevingsthermometer staat op oranje-rood. En toch zien we elke dag vele voorbeelden die stelselmatig aantonen hoe het verschil wordt gemaakt. Op tal van terreinen leeft vandaag - soms zichtbaar, soms nog wat verborgen – sociaal-cultureel experiment. 

De top in de wereld

We tellen ruim 14.000 lokale ankerpunten in alle buurten en wijken, over heel Vlaanderen en Brussel. Sociaal-cultureel werk is lokaal ingebed, maar richt de blik naar de wereld: 73% van de organisaties is actief over de landsgrenzen heen. Meer dan 200.000 vrijwilligers zetten zich met veel passie en gedrevenheid in voor de samenleving. Een dikke twee miljoen mensen schraagt de sector als lid en de 300.000 activiteiten tellen jaarlijks ongeveer 10.000.000 deelnemers. Je leest het, heel Vlaanderen IS sociaal-cultureel. Samen met de Denen en de Britten zijn onze inwoners het meest actief in de 'civil society'.  Best iets om fier op te zijn. Een diverse sector kent een divers publiek: een kleine 40% van de sociaal-culturele organisaties richt zich expliciet en structureel op kansengroepen. 

Vijf Euro

Veel veerkracht voor een bescheiden overheidskost

We staan voor een sector die voor de helft met private en voor de helft met publieke middelen werkt en die in 44,3 miljoen uren burgerschap, solidariteit en verbinding per jaar investeert. Kostprijs voor de Vlaamse overheid: €1,4 per uur. Twee derde van een pint. Meer dan behoorlijk, niet? Bovendien leggen de organisaties er jaarlijks zelf nog eens ongeveer 150 miljoen euro bij: deels via andere overheidsmiddelen, maar voor ruim de helft ook via eigen inkomsten, zoals lidgelden, inkomsten uit activiteiten en giften allerhande. 

Vraag het aan de studiedienst van de Vlaamse regering zelf.

Dat investeren in sociaal-cultureel werk maatschappelijke winst oplevert, blijkt niet alleen uit de dagelijkse praktijk, maar wordt ook bevestigd in onderzoek van de Vlaamse regering zelf. VRIND 2017 stelde vast dat lid zijn van een vereniging een positief effect heeft op de beleving van een aantal waarden die het samenleven versterken. En uit SVR-st@ts 2016 blijkt zelfs dat een overheidsinvestering van 1 miljoen euro in het verenigingsleven een bruto toegevoegde waarde heeft van € 815.760 euro.

De VRIND-cijfers tonen ook aan dat van een terugval van het verenigingsleven geen sprake is. Tegen de gangbare mening in, stellen we vast dat de helft van de bevolking zich blijft engageren.  Het is evident dat dit niet voor elke organisatie in het brede sociaal-culturele netwerk geldt en dat een aantal onder hen sleutelt aan moeilijke veranderingsprocessen. Wordt het dan geen tijd dat de Vlaamse overheid ook hen in die verandering ondersteunt?

Sociaal-cultureel werk net zoals de griepprik

We schreven het al elders, sociaal-cultureel werk is wat de griepprik is voor de gezondheidszorg: het vraagt wat centen en organisatie, maar het is veel efficiënter dan genezen. Dat bevestigt ook de Ugent (European Social Survey 2017). Vrijwilligers zijn even gezond als 5 jaar jongere niet-vrijwilligers. Waarom? Omdat het bijdraagt aan zelfvertrouwen, zelfwerkzaamheid en de kwaliteit van het sociaal netwerk. Het biedt bescherming tegen dementie en weerstand tegen stress en ontstekingen.

Investeringsambitie

Van bij de start van de Vlaamse regering moet de investeringsagenda op tafel liggen. We becijferden alvast één en ander.

  • Elke organisatie heeft recht op minimaal 150.000 euro per jaar. Dit geldt zowel voor nieuwe organisaties als zij die vandaag al worden gesubsidieerd. Om de huidige organisaties allemaal op dit niveau te krijgen, is alvast een extra investering van ruim 300.000 euro nodig.
  • Voor de Vormingpluscentra gaat het decreet uit van 1,7 euro per inwoner, terwijl op dit moment slechts 1,2 euro per inwoner wordt vastgesteld. Bovendien groeide het bevolkingsaantal in Vlaanderen & Brussel sinds de laatste telling met ruim 300.000 koppen. Alles bij elkaar zal dit een bijkomende investering van ruim 2.000.000 euro vergen.
  • Elke vijf jaar wordt een vaste enveloppesubsidie vastgelegd, die verder geen rekening houdt met de automatische stijging van de kosten. Met eenzelfde subsidie moet elke organisatie dus jaarlijks zwaardere kosten zelf dragen om enige continuïteit te kunnen verzekeren. De berekeningen liegen er niet om. Eén personeelslid kost na 5 jaar gemiddeld ruim 5.000 euro meer. Een gemiddelde organisatie draagt dus elke vijf jaar nagenoeg de kost van een voltijdse equivalent (€50.248,08) om zijn personeelsaantal te kunnen handhaven. Op het geheel van de sector berekend, betekent dit dat de Vlaamse overheid elke vijf jaar ongeveer 9.000.000 euro aan de begroting moet toevoegen, alleen maar om de koopkracht van de organisaties te herstellen.

Maar het decreet vertoont ook ambitie: geen begrenzing meer op het aantal organisaties dat intreedt, de ruimte om enveloppen van organisaties naar boven bij te stellen, de gedrevenheid om via de laboratoriumprojecten kansen te geven aan organisaties, de broodnodige ondersteuning van organisaties die later erkend werden en enkel een minimumbedrag kregen,… En nog: de Federatie brengt geregeld burgerinitiatieven met een landelijke ambitie samen. De goesting om er nog meer tegenaan te gaan druipt er ook bij hen af. 

Kortom: voor wat is en zal komen, is er maar één scenario mogelijk: een paar versnellingen hoger schakelen en rijden voor een enveloppe die ambitie toont.