De Federatie evalueert: het nieuwe decreet

Eén van de grootste “werven” in het cultuurbeleid van minister Gatz was de totstandkoming van het nieuwe decreet sociaal-cultureel volwassenenwerk.  Elders gingen en gaan we inhoudelijk dieper in op het decreet. Hier belichten we vooral hoe belangrijk het was dat het kabinet en De Federatie elkaar troffen in een doorgedreven traject. En hoeveel waarde we hechten aan de inbreng van het parlement in dit alles. Meteen al een aanbeveling voor de volgende ploeg: overleg vanaf dag één.  

Verrekijker

Het stond in de sterren geschreven

Al snel na zijn aantreden was duidelijk dat minister Gatz (Open VLD) een conceptnota over het sociaal-cultureel volwassenenwerk zou uitwerken. De timing hiervoor werd een aantal keer bijgesteld. Zo kregen Marius Meremans (N-VA) en Bart Caron (Groen) de gelegenheid om een schot voor de boeg te lossen: zij legden in september 2015 hun eigen conceptnota neer in het Vlaams Parlement. Eerder, in juli, bezorgde de FOV haar “Richtingaanwijzers” aan de minister en parlementsleden.

De sector kreeg begin 2016 een eerste inkijk in de ideeën van de minister tijdens een sectormoment in het Kaaitheater. Minister Gatz bevestigde de bijzondere positie van het sociaal-cultureel werk als civiele, autonome actor. Hij wilde een aantal kaders en grenzen binnen het decreet slopen om organisaties meer te laten evalueren en beoordelen vanuit hun eigen DNA.

Enkele weken later toog hij naar de regering met een eerste versie van zijn conceptnota. De goedkeuring kwam er op 15 april. 

Intussen legde ook Yamila Idrissi (sp.a) een eigen conceptnota neer in het Vlaams Parlement.  In diezelfde maand verdedigde de minister zijn uitgangspunten tijdens onze Algemene Vergadering.

De uitgangspunten: common ground

De Federatie bracht de inschatting van de leden binnen, want uit een bevraging bleek dat 85 % van de organisaties zich volmondig schaarde achter een aantal belangrijke uitgangspunten in Gatz’ conceptnota: de sector blijven situeren als een civiele actor met een grote mate van autonomie en in een dialoogrelatie met de overheid. Ook meer dynamiek en flexibiliteit toelaten, maar dit in evenwicht met continuïteit over de beleidsperiodes heen, was herkenbaar.

Op het operationele vlak merkten we dat enkele instrumenten, waarvoor binnen de sector een groot draagvlak bestond, overeind bleven: visitaties om in de reële werking van de organisaties te duiken, een stabiele beleidsperiode van 5 jaarremediëringsmogelijkheden voor organisaties die opmerkingen ontvangen, ...   

Veel overleg boekt resultaat

Deze uitgangspunten waren voor ons een kompas, maar nog lang geen GPS. Vanaf september 2016 troffen de sectorfederatie en het kabinet elkaar vaak rond de vergadertafel, met bij beide partijen de vaste wil om tot een werkbaar geheel te komen. We zagen dat dit heel wat resultaat opleverde: het decreet verlegt een aantal grenzen door eindelijk het internationaal, intersectoraal en intergenerationeel werken te erkennen.  Ook sluit het meer aan bij wat de minister zelf ook een civiel en duurzaam perspectief noemde: veel meer aandacht voor dialoog tussen organisaties en de overheid en meer inhakend op de grote nood aan continuïteit van taaie sociaal-culturele processen.

De Federatie benoemt risico’s

Maar, zo zegden we tijdens de hoorzitting in het Vlaams parlement, het risico op een “afvinkdecreet” bleef bestaan. Een belangrijk aandachtspunt, zo beaamden alle fracties én minister Gatz. Bovendien ontwaarde het gros van onze organisaties de onafwendbaarheid van een toenemende plan- en verantwoordingslast. De sectorfederatie haalde ook enkele voorbeelden aan waar het decreet zichzelf “oververzekert”: beslissingsmomenten of procedures die enerzijds sterk rekening houden met de timing van de overheid of met iets wat hoogst uitzonderlijk zou kunnen mislopen en anderzijds tot onnodige en disproportionele onrust bij organisaties leiden. De federatie drong erop aan een goede kosten-batenanalyse te maken van deze maatregelen.

Het uitvoeringsbesluit, het visitatie- en beoordelingsprotocol,… : in het najaar van 2017 moest alles snel in orde worden gebracht om begin 2018 van start te kunnen gaan. Ook voor de administratie was dit een moordend tempo.

2018: het decreet springt in de realiteit

Vanaf april 2018 werden de landelijke organisaties gevisiteerd.  Het uiteindelijke resultaat van de visitaties leverde een dubbel beeld op: enerzijds werden zeer veel organisaties positief geapprecieerd door de commissies. Anderzijds leverde geen enkele visitatieperiode (dit is de derde vijfjaarlijkse golf) zoveel (voorlopig) negatieve verslagen op. Maar wat vooral bleef hangen, zo stelde De Federatie vast, is dat de coördinatie en coaching van de visitaties voor verbetering vatbaar is, en dat de visitatoren beter op de hoogte moeten zijn van het (bedoelde) beoordelingskader. De ervaringen van de organisaties over hoe de visitaties verliepen en de kwaliteit van de output ervan in de verslagen was te wisselend om van een uniform en stabiel beeld te kunnen spreken. We analyseerden alle verslagen, organiseerden een bevraging bij onze lidorganisaties, bespraken alles tijdens de werkgroepen en informeerden kabinet, administratie en parlementairen oer onze bevindingen. Dit leidde tot een hoorzitting in het Vlaams parlement.

Parlementair werk vanaf dag 1

Slotsom vandaag: we wijzen op het belang van enkele bijsturingen aan het beoordelingskader en aan het decreet, met het oog op de beoordelingen in het voorjaar van 2020. Werk op de plank voor het parlement, onmiddellijk na de verkiezingen. Lees zeker ook onze open brief!