Amateurkunstenorganisaties plannen de toekomst: 2 miljoen redenen voor een kwart extra middelen.

Op 1 maart 2021 dienden de negen landelijke amateurkunstenorganisaties hun financiële behoefteplannen voor de nieuwe beleidsperiode in. Daarin schetsen ze hun plannen voor de komende vijf jaar, en berekenen ze de noodzakelijke extra middelen. Tegen 1 oktober 2021 beslist minister-president Jambon over hun subsidie-enveloppe voor 2022-2026. Welke uitdagingen staan de sector te wachten? Hoe zullen de negen organisaties hierop inspelen? En welke financiële middelen zijn daarvoor nodig?

Danspunt 1 c Kurt Van der Elst

(c) Kurt Van der Elst voor Danspunt

25% extra middelen nodig

Uit de behoefteplannen blijkt dat de negen amateurkunstenorganisaties gemiddeld 25% extra middelen nodig hebben om hun toekomstambities te kunnen waarmaken. Ze flirten daarmee met het maximale groeipercentage dat het amateurkunstendecreet voorziet. Volgens het decreet kunnen alle subsidie-enveloppes samen maximaal 20% groeien. Elke organisatie individueel kan maximaal 20% van de subsidie-enveloppe verliezen.
Hoe beslist de minister over de subsidie-enveloppes? Het behoefteplan biedt niet alleen inzicht in de toekomstplannen, maar bevat ook een reflectie op de werking van de organisatie. In 2019 kregen alle organisaties een visitatiecommissie over de vloer voor een grondige evaluatie. In het behoefteplan formuleert elke organisatie hoe ze tegemoetkomen aan de geformuleerde aanbevelingen en verbetersuggesties. Ook de evaluatie van de werking wordt mee in de weegschaal gelegd.
Uit de synthesenota van deze evaluaties bleek dat de negen organisaties het goed doen. Ze blinken uit in ondersteuning en talentontwikkeling, blijken sterk in publieksevenementen en innovatie, en spelen een belangrijke rol bij de promotie van hun disciplines. Bovendien zetten ze in op de maatschappelijke meerwaarde van actieve cultuurparticipatie.

Ambities voor een diverse en inclusieve amateurkunstensector

De meeste organisaties bestaan intussen meer dan twintig jaar. In de behoefteplannen overheerst de verdere zoektocht naar innovatie en profilering. Het wegvallen van het Forum voor Amateurkunsten noopt de landelijke organisaties immers tot een herdenking van hun rol. Ze zijn een veldorganisatie maar hebben een vogelperspectief op hun sector, ze zijn een netwerkspeler, en fungeren als uithangbord en aanspreekpunt voor hun discipline. Bovendien hebben de organisaties zich tijdens de coronacrisis in sneltempo heruitgevonden en speelden ze vele rollen in het veld. Deze evoluties worden in de toekomst verder uitgebouwd, net zoals de versnelde digitalisering.
Daarnaast worden de fundamenten van vele bruggen verstevigd: de nog nauwere samenwerking met andere beleidsdomeinen zoals (deeltijds kunst)onderwijs, de jeugdsector, de professionele kunsten, cultuureducatie... staan met stip op de planning. Maar ook het streven naar een inclusieve en diverse amateurkunstensector is een terugkerende doelstelling.
Tegelijk blijven de organisaties hun sterktes verder uitbouwen. De ondersteuning van de beoefenaar gebeurt steeds meer op maat van individuele behoeften. Bovendien trekken de landelijke organisaties de kaart van de internationalisering om expertise en innovatie zo breed mogelijk te delen.
B Jazz International Contest 2 foto Patrick Clerens

(c) Patrick Clerens voor B-Jazz International Contest

Uitdagingen voor 2022-2026: van lokaal, over bovenlokaal tot internationaal

De kansen die er in de toekomst liggen, zijn talrijk, maar de uitdagingen zijn dat ook. Uit de praktijk en uit het bevolkingsonderzoek blijkt dat de artistieke praktijk in sneltempo verandert en verbreedt. Er ontstaan cross-overs tussen disciplines en de beoefenaar combineert verschillende praktijken. De amateurkunstenorganisaties organiseren hun werking zo dat ze flexibel op evoluties kunnen reageren. Dat veronderstelt een open blik, een sterk team en de nodige middelen om snel te schakelen.
Ook de recente interne staatshervormingen zorgden voor een herschikking in het veld. De amateurkunstenorganisaties zoeken uit hoe ze de volledige sector, van lokaal over bovenlokaal tot internationaal, kunnen bereiken. Uit het bevolkingsonderzoek bleek immers dat één op vijf beoefenaars – of zo’n 420.000 amateurkunstenaars – meer ondersteuning verwacht. Op welke manier kunnen de landelijke organisaties hierrond samenwerken met (boven)lokale besturen?
In talentontwikkeling spelen de landelijke amateurkunstenorganisaties de rol van deeltjesversneller. Ze zijn de centrale spil in het netwerk van organisaties die amateurkunstenaars ondersteunen: van het deeltijds kunstonderwijs of het lokale jeugdhuis, over de cultuurcentra en cultuureducatieve organisaties tot het professionele podium. 2022-2026 wordt dan ook de beleidsperiode waarin de talentontwikkelingstrajecten tot volle bloei zullen komen.

Meer dan 2 miljoen redenen om te investeren in "booming business"

De kunstbeoefenaar staat centraal in de werking van de organisaties. Dat betekent dat de behoefteplannen vertrekken vanuit de noden van de beoefenaars. Uit het bevolkingsonderzoek naar amateurkunsten blijkt dat op tien jaar tijd het aantal beoefenaars met 7% is gestegen. En dat terwijl op diezelfde tien jaar tijd 23% van de middelen wegvloeide uit de amateurkunstensector.
In 2010 en 2011 werd een ‘kaasschaaf’ van telkens 2,3% uitgevoerd. Sindsdien gebeurde het geregeld dat de index slechts gedeeltelijk werd uitgevoerd. In 2014 was er de eerste over­dracht van de middelen interne staatshervorming, waar 10% niet overging van het provinciaal naar het Vlaams niveau. Een jaar later, in 2015, volgde een stevige bijkomende besparing van 5% voor de organisaties en zelfs 15% voor het Forum voor Amateurkunsten en Zinnema. In 2017 werd het Bijzonder Fonds stopgezet dat werd ingezet voor experiment en innovatie. De middelen werden gebruikt om de structurele subsidie-enveloppe van een aantal landelijke amateurkunstenorganisaties bij te passen. Een aantal andere organisaties verloor een deel van de middelen om deze her­schikking mogelijk te maken.
Vanaf 2019 gingen de middelen, en de opgebouwde reserve, van het Forum voor Amateurkunsten naar het nieuwe Steunpunt voor Bovenlokale Cultuur. Tegelijk betekende de tweede interne staatshervorming een financiële aderlating voor de sector. De overdracht van de ex-provinciale cultuurmiddelen, bedoeld voor de nieuwe beleidslijn talentontwikkeling, bleek een koude douche voor vele organisaties en verenigingen. VLAMO rekende uit dat sindsdien de middelen voor orkesten ruim gehalveerd zijn. In 2020, tot slot, kwam daar een besparing van 6% bij. Bovendien werd opnieuw de index niet volledig uitgekeerd. We becijferen dat Vlaanderen in tien jaar tijd 23,15% bespaard heeft op het budget van de amateurkunstensector. Dat komt neer op ongeveer 7,8 miljoen euro.
Dansen

Hoog tijd voor erkenning

Het belang van de amateurkunstensector voor een breed en divers cultuurdomein kan niet onderschat worden. Er zijn meer beoefenaars dan ooit, de noden zijn hoog en de amateurkunstenorganisaties hebben er de laatste jaren verschillende taken bij gekregen. Bovendien zijn de amateurkunstenorganisaties na twintig jaar uitgegroeid tot professionele, sterke organisaties die de kunstbeoefenaar centraal stellen, zoals ook blijkt uit de lovende synthesenota van de evaluaties. Het is tijd om hun centrale rol te honoreren met de middelen die er nodig zijn.
De middelen die na de World Choir Games overkomen naar de amateurkunstensector zijn alvast een eerste stap in de goede richting. We kijken er dan ook naar uit dat de negen landelijke organisaties hun rol in de toekomst ten volle kunnen spelen. Daarvoor zijn 25% extra middelen nodig om de noden van de meer dan 2 miljoen amateurkunstenaars in Vlaanderen te kunnen ondersteunen.