Collega in de coulissen: Hannes Renglé over verenigingswerk

Beleidswerk gebeurt op verschillende manieren. Af en toe eens heel zichtbaar maar veel vaker achter de schermen. In dit dossier geven we aan de hand van concrete beleidsthema's een inkijk in wat er reilt en zeilt in de coulissen van het beleidswerk van De Federatie.

Vandaag gaan we in gesprek met Hannes Renglé over verenigingswerk.

Dag Hannes, waarover hebben we het? Wat is verenigingswerk?

Je hebt aan de ene kant vrijwilligerswerk waarbij je je onbezoldigd inzet voor de samenleving. Aan de andere kant is er ‘reguliere arbeid’ waar je voor je werk een prestatievergoeding krijgt. Vrijwilligers krijgen soms wel een kostenvergoeding, maar nooit een prestatievergoeding. Daartussen zit een grijze zone. Vroeger noemde men dit ‘semi-agorale arbeid’, later werd dat vrijetijdswerk en daarna ‘verenigingswerk’. In zo’n stelsel krijg je een prestatievergoeding. Verenigingswerk en vrijwilligerswerk zijn dus geen synoniemen.

Waarom is De Federatie daar eigenlijk mee bezig?

In onze sector zijn er wel wat functies waar er eerder sprake was van een vergoeding voor een geleverde prestatie. Het was niet correct om dat binnen het vrijwilligerswerk te vergoeden, vandaar de nood aan een nieuw statuut, wat het ‘verenigingswerk’ werd. Binnen de amateurkunsten gaat het dan over dirigenten en choreografen. In het sociaal-cultureel werk gaat dat voornamelijk over lesgevers die een vergoeding krijgen voor de lessenreeksen die ze geven. Vandaar dat De Federatie hiervoor een oplossing wou zoeken. Tot enige tijd geleden werden er verschillende vormen van vergoedingen gebruikt. Het ging dan vooral over oneigenlijk gebruik van de vrijwilligersvergoeding en sporadisch was er ook sprake van zwartwerk. Niet moedwillig, maar omdat er geen wettelijk alternatief was.

Wanneer kwam de optie voor zo’n ‘tussenstatuut’ op onze agenda?

In 2016 bestelde toenmalig Vlaams minister van sport, Philippe Muyters, een onderzoek bij de VUB over ‘semi-agorale arbeid’. Dit was het signaal voor de federale regering om hierrond iets te doen. Het is dan ook vrij snel verbreed. Voornamelijk de amateurkunsten sprongen mee op de kar omdat dit qua functies vergelijkbaar was met de sportsector. Het gaat bijvoorbeeld vaak over vrij intensieve, wekelijkse, engagementen. Ook binnen het sociaal-cultureel werk bleek er naderhand nood te zijn, met name dus die lesgevers.

We zijn nu 2022 en het nieuwe statuut is pas goedgekeurd. Waarom heeft het zo lang geduurd?

Dat heeft vooral met heel wat gevoeligheden te maken. Het statuut is er gekomen met veel vallen en opstaan. In 2018 was het ‘verenigingswerk’ vervat in het brede ‘zomerakkoord’ van de toenmalige federale regering. Het ‘verenigingswerk’ was toen één luik van een drieluik – de ‘bijkluswet’ – waarin ook deelplatformen en ‘diensten van burger tot burger’ opgenomen waren. Minister De Block van sociale zaken vulde verenigingswerk toen heel ruim in. Voor allerlei functies in organisaties zou een prestatievergoeding mogelijk zijn die bovendien volledig onbelast zou zijn, terwijl daar niet voor elke functie nood aan was. Het principe was ok, maar door de uitgebreide invulling ondermijnde het statuut het vrijwilligerswerk in de sector. Bovendien hoefde dit wat ons betreft niet volledig onbelast te zijn, een faire belasting leek ons billijk. Lang hield deze regeling echter niet stand. In april 2020 vernietigde het Grondwettelijk Hof de regeling, voornamelijk op aangeven van zelfstandigenorganisaties die storm liepen tegen onder meer ‘diensten van burger tot burger’. Daarna was het wachten tot het nieuwe federale regeerakkoord vijf maanden later. Daarin werd beloofd om een nieuwe regeling rond verenigingswerk uit te werken die zou starten in januari 2021. Het werd snel duidelijk dat de timing niet zou gehaald worden. Er werd eerst een tijdelijke regeling uitgedokterd en nu pas, in april 2022, is de definitieve regeling volledig rond. Er gingen dus veel maanden voorbij zonder oplossing voor veel verenigingen.

Welke gevoeligheden speelden er dan zo allemaal?

Het bleek vaak de combinatie van sterke politieke stellingnames (bv. ‘mensen moeten kunnen bijverdienen’) en te weinig overleg met de sector. Bovendien was het geen prioriteit waardoor men vaak te laat in gang schoot en de complexiteit van het dossier ook onderschatte. Maar zelfs als er overleg was met kabinetten, stonden bijvoorbeeld vakbonden op de rem. Zij wilden geen volledig nieuwe regeling omdat ze via een systeem van ‘onbelast bijverdienen’ vreesden voor een uitholling van het werknemersstatuut. Ze zagen liever een aanpassing van een bestaande regeling, wat het nu ook geworden is. Daarenboven is het federale wetgeving en is de context van het verenigingsleven in Wallonië nogal verschillend. Daar spelen dus ook andere gevoeligheden. Dit kostte dus ook tijd. Tot slot wilden wij absoluut het vrijwilligerswerk vrijwaren. Zo heeft de Hoge Raad voor Vrijwilligers (HRV) - waarin we ook vertegenwoordigd zijn - van meet af aan gesteld dat ze zich hiermee niet zou inlaten omdat het fundamenteel niet over vrijwilligerswerk gaat. Want meermaals dacht men het ‘simpel’ te kunnen oplossen, door gewoon de vrijwilligersvergoedingen sterk op te trekken.

Hoe heeft De Federatie dit aangepakt?

In eerste instantie keken we wie er in Vlaanderen gelijkaardige problemen had. We belandden zo al snel bij de Vlaamse Sportfederatie (VSF). Aan Franstalige kant was het minder evident om een vergelijkbare organisatie als De Federatie te vinden, waardoor we nooit helemaal op eenzelfde lijn zaten. Dat maakt het lastig om een federale overheid te benaderen. Want zo heeft een Nederlandstalige minister het ook moeilijk om zijn Franstalige collega’s mee te krijgen, gezien zij andere signalen krijgen. In de Nationale Arbeidsraad (NAR), die een belangrijke rol speelde in dit dossier, zetelt Unisoc. Dat is de federale koepel van het Vlaamse Sociare en het Franstalige Cessoc. Maar omdat Sociare en Cessoc niet helemaal op dezelfde lijn zaten, was een duidelijke positionering van Unisoc complex. We hadden ook afzonderlijk contact met vakbonden en spelers als Beweging.net. Maar het werd duidelijk dat er binnen de NAR weinig bewegingsruimte was. Aan Vlaamse kant informeerden we kabinet Jambon en parlementsleden in de commissie sociale zaken zodat ze federaal druk konden zetten op de bevoegde kabinetten. Asymmetrische coalities (= andere coalities in de Vlaamse en federale regering) kunnen op zo’n momenten een pluspunt zijn. Aan Vlaamse kant was er politiek grote eensgezindheid; de grootste moeilijkheid zat in een vergelijk vinden met de standpunten van de Franstaligen. Naast het politieke hamerden we ook steevast op een administratief laagdrempelige regeling, want de uiteindelijke gebruikers zijn vaak lokale vrijwilligersorganisaties. Over de uitwerking van het nieuwe systeem hadden we geen rechtstreeks overleg met de RSZ-administratie, maar het kabinet Vandenbroucke gaf onze bezorgdheden daarover wel door.

Blik je zelf tevreden terug? Wat is er voor herhaling vatbaar?

Onze samenwerking met VSF is zeer goed gelopen. Er waren hier en daar wel eens wat meningsverschillen maar principieel hebben we altijd de rangen gesloten en met één stem gesproken. In de toekomst willen we op deze weg verder gaan. Bovendien zorgde dit ervoor dat we sneller en makkelijker media haalden met een toch wel vrij technisch dossier.
Over het statuut zelf ben ik tevreden. We zijn geland waar we wilden landen: de functies die in aanmerking komen voor het statuut, zitten goed en er is een beperkte, maar rechtvaardige, fiscale regeling. We hopen dat het administratieve luik voldoende gebruiksvriendelijk en laagdrempelig zal zijn, maar we blijven dit wel goed in de gaten houden en zo nodig grijpen we in. Want een federale administratie blijkt de realiteit van lokale vrijwilligersorganisaties niet altijd te kennen. Om de drempels toch zo laag mogelijk te houden, voorziet Sociare in sjablonen voor arbeidsovereenkomsten e.d. Het zou ook kunnen dat we bij de administratie zelf moeten aankloppen voor vereenvoudigingen, maar we kunnen daar nu nog niet op vooruitlopen. We blijven ook monitoren of en in welke mate organisaties effectief overstappen naar de nieuwe regeling. Als er ondanks de grote nood toch weinig overstappen, moeten we in beeld krijgen waaraan dit ligt. Tot slot willen we er blijven op toezien dat dit nieuwe statuut niet knabbelt aan het echte vrijwilligerswerk.
Bart Verhaeghe Neem contact op met Bart