Verenigingswerk 2.0 ook voor de socioculturele sector? Onderhandelingen gestart

Het einde van 2020 betekende ook het einde van de brede toepassing van het verenigingswerk. Het systeem van verenigingswerk liet bepaalde groepen mensen toe om onbelast iets bij te verdienen voor enkele specifieke taken in onder meer de amateurkunstensector, het sociaal-cultureel werk en de sportsector. Gezien de reële nood in deze sectoren werd in het recente federaal regeerakkoord expliciet een oplossing opgenomen voor het wegvallen van het verenigingswerk. Omdat 1 januari echter kort dag was, pleitte minister Vandenbroucke voor een tijdelijke noodoplossing terwijl er gewerkt zou worden aan een meer duurzame oplossing. Vlak voor de kerstvakantie werd echter duidelijk dat er voorlopig enkel voor de sportsector een tijdelijke oplossing uit de bus zou komen. De amateurkunsten- en de sociaal-culturele sector dienden nog even in de wachtkamer te zitten.

Politieke wil voor een duurzame oplossing

In 2018 werd de wet op het onbelast bijverdienen - de fameuze ‘bijkluswet’ - goedgekeurd. De wet bood aan iedereen die (minstens 4/5e) werkte of gepensioneerd was de mogelijkheid om onbelast bij te klussen. Uit verschillende hoeken kwam er al snel kritiek op deze regeling. Dit leidde in het voorjaar 2020 tot een vernietiging door het Grondwettelijk Hof. Een uitdoofscenario werd voorzien tot eind 2020.

Gezien de reële nood in onder meer de amateurkunstensector, de sociaal-culturele sector en de sportsector was een werkbare oplossing voor het wegvallen van het verenigingswerk noodzakelijk. Deze ambitie werd ook geuit in het federaal regeerakkoord. Een concrete oplossing op lange termijn moet echter nog uitgewerkt worden. Een mogelijke piste hiervoor zou een aanpassing zijn van de 25-dagen regeling (artikel 17 van het koninklijk besluit van november 1969).

Omdat 2021 snel naderde, pleitte minister Frank Vandenbroucke voor een tijdelijke noodoplossing. Zo kon men in overleg met de betrokken sectoren tot een duurzame oplossing komen. Het stemde ons tevreden dat de minister aangaf dat overleg met de sector belangrijk is.

Die tijdelijke noodoplossing kreeg vlak voor de kerstvakantie vorm in de wet van 24 december 2020 betreffende het verenigingswerk 2.0. Deze wet werd ingevoerd vanaf 1/1/2021 en geldt voor één jaar. Groot was echter onze verbazing toen uit de parlementaire debatten bleek dat deze wet beperkt zou worden tot de sportsector. Het amendement van Björn Anseeuw (N-VA) om ook de amateurkunsten meteen mee te nemen in de wet kreeg geen steun van de meerderheid. Voor de amateurkunstensector en de sociaal-culturele sector werd enkel de ambitie geuit om snel in overleg te gaan om tot een tijdelijke noodoplossing te komen. Deze ambitie werd door verschillende parlementsleden uit de meerderheid, zowel vanuit Open VLD, MR, Groen, sp.a en CD&V, expliciet onderschreven.

Verenigingswerk 2.0: enkel voor de sportsector

De belangrijkste wijzigingen in de nieuwe wet zijn:

  • De voorwaarde van een 4/5de tewerkstelling vervalt. De wet stelt dat je als verenigingswerker een 'gewoonlijke en hoofdzakelijke' beroepsactiviteit moet uitoefenen;
  • De inkomsten worden niet langer volledig (para)fiscaal vrijgesteld. Er is een sociale bijdrage van 10% op de inkomsten voor de organisatie en een fiscale belasting van 10% voor de verenigingswerker;
  • Er zijn regels voorzien met betrekking tot het werkrooster, rustpauzes en opzeg. Bovendien geldt er een verplichte rustperiode van ten minste 11 opeenvolgende uren tussen prestaties op twee verschillende kalenderdagen en is er op 7 dagen minimum één rustdag voorzien;
  • Er wordt een limiet gesteld aan het aantal uren verenigingswerk per maand: maximaal 50 uren verenigingswerk per maand, gemiddeld en te respecteren per kwartaal;
  • Er wordt een minimumvergoeding ingevoerd van 5 euro per uur (geïndexeerd bedrag);
  • Per kalenderjaar kunnen tussen dezelfde verenigingswerker en dezelfde organisatie maximum 3 al dan niet opeenvolgende overeenkomsten inzake verenigingswerk worden gesloten.

    Wat dan met de amateurkunsten en het sociaal-cultureel werk?

    De federale regering heeft alvast het overleg met ons opgestart om ook voor de amateurkunsten en het sociaal-cultureel werk tot een tijdelijke noodoplossing te komen. Wij hopen dat er ook voor onze sectoren snel een werkbare overgangsregeling komt. Organisaties die ondertussen graag meer info krijgen over mogelijke andere alternatieven om mensen op een flexibele manier in te zetten in je organisatie (vrijwilligers, studenten, freelancers en 25-dagenregel) kunnen terecht bij Sociare voor een gratis webinar. Meer info hierover vind je hier.

    Frank Vandenbroucke

    Intussen in de media (update 18/1)

    Naar aanleiding van deze onderhandelingen en vragen erover in de commissie Sociale Zaken van het federaal Parlement, verscheen op 18 januari onderstaand artikel in De Standaard. We zetten wel even de puntjes op de i, want het artikel kan fout gelezen worden. We kunnen niet genoeg benadrukken dat verenigingswerk géén vrijwilligerswerk is. Dat onderscheid is net essentieel in de hele discussie over dit 'tussenstatuut', maar al in de inleiding worden beide termen door elkaar gebruikt. Er is dus geen sprake van dat vrijwilligers voortaan 10% belasting zouden moeten betalen op hun vergoeding. Het gaat over 10% belasting op het inkomen dat een verenigingswerker verwerft binnen dit specifieke statuut, waarop dus binnenkort mogelijk ook enkele organisaties uit onze sectoren beroep zullen kunnen doen.

    (artikel DS - 18 januari 2021)

    Amateurdirigent weldra evenveel belast als amateurtrainer

    De fiscale noodoplossing die er kwam voor de verenigingswerkers in de sport, wordt wellicht uitgebreid naar de socioculturele sector. Ook die vrijwilligers zullen dan 10 procent belasting moeten betalen op hun vergoeding.
    ‘Artistieke of kunsttechnische begeleiders’ maakten tot vorig jaar vaak gebruik van een regeling waardoor ze onbelast konden bijklussen tot 6.000 euro per jaar. De regering-Michel had de regel in 2018 ingevoerd, maar het Grondwettelijk Hof vernietigde hem in 2019. Het Hof vond het niet kunnen dat eenzelfde vergoeding anders behandeld werd alnaargelang ze betaald werd aan een verenigingswerker, een werknemer of een zelfstandige. Voor de sportsector werd vorig jaar nog in allerijl een oplossing uitgewerkt, omdat trainers, begeleiders en scheidsrechters het gevaar liepen de volle pot aan sociale bijdragen en belastingen te moeten betalen op hun vergoeding. Die sector vertegenwoordigt dan ook driekwart van de verenigingswerkers. Maar ook in de culturele sector zijn heel wat mensen actief die net iets meer dan een onbezoldigde vrijwilliger zijn, maar toch geen werknemer of zelfstandige. Denk aan een regisseur in het amateurtheater of de dirigent van een koor. Precieze aantallen kan Hannes Renglé van De Federatie, de organisatie die in Vlaanderen het sociaal-culturele werk en de amateurkunsten overkoepelt, niet geven. ‘Maar we zijn alvast vragende partij voor een gelijkaardige regeling.’ Belasting van 10 procent De clubs betalen sinds dit jaar een solidariteitsbijdrage van 10 procent op de vergoedingen. De trainer zelf betaalt ook nog eens 10 procent belastingen. Die kleine belasting was nodig om tegemoet te komen aan de bezwaren van het Grondwettelijk Hof. Het regime geldt, net als de oude regeling, alleen voor wie op jaarbasis minder dan 6.000 euro (6.340 euro geïndexeerd) bijverdient. Andere voorwaarde: de verenigingswerker moet minimaal 5 euro per uur verdienen. De regeling geldt niet voor de vergoedingen aan de sporters zelf. Nieuw is ook dat iemand die elders halftijds werkt ook onder de regeling kan vallen. In de vorige versie moest de verenigingswerker elders nog minstens vier vijfde werken. Minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke (SP.A) wil de socioculturele sector nu zo snel mogelijk in de regeling schuiven. Vorige week had zijn kabinet daarover al een eerste overleg met De Federatie, liet hij vorige week verstaan na een vraag van Nahima Lanjri (CD&V) en Tania Dejonghe (Open VLD). Veel van die activiteiten liggen momenteel stil door corona, maar de ambitie is om in februari duidelijkheid te hebben. ‘Een eventuele uitbreiding van de tijdelijke regeling naar andere sectoren staat niet op de agenda’, gaf Vandenbroucke nog mee. Niemand enthousiast ‘Wij hebben geen probleem met de belasting die ons opgelegd wordt, voor ons is het vooral erg belangrijk dat de administratie eenvoudig blijft’, zegt Renglé. Zijn organisatie wil ‘absoluut meepraten bij de uitwerking van een definitieve oplossing’. De regeling geldt immers maar tot eind van dit jaar en is het gevolg van een compromis onder de regeringspartijen waarover eigenlijk niemand enthousiast is. En kwam ook geen applaus van bij de sportclubs die de regeling ‘onbetaalbaar’ noemen. De uitwerking van een definitieve regeling voor het verenigingswerk belooft dan ook nog een hele klus te worden. De linkse partijen staan erg argwanend tegenover een tussenstatuut van pseudowerknemers die echte werknemers en zelfstandigen uit de markt prijzen. Ze willen dan ook dat het verenigingswerk strikt geregeld wordt. De liberale partijen – de grote pleitbezorgers voor het onbelast bijverdienen – zijn dan weer voorstander van een zo soepel mogelijke regeling met zo weinig mogelijk barrières.
    We willen absoluut meepraten bij de uitwerking van een definitieve oplossing
    Hannes Renglé - De Federatie