Betoging lage resolutie web 42

Amateurkunsten: begripsverwarring en besparingen

Dossier: Decreet Amateurkunsten

In de parlementaire commissie Cultuur van 6 en 13 november lichtte Cultuurminister Gennez haar begroting toe voor 2026. Ook de 9 amateurkunstenorganisaties moeten elk 3% besparen omwille van "bovenbouwbesparingen". Verschillende parlementsleden zetten vraagtekens bij die argumentatie. Een reconstructie van het debat.

Begripsverwarring over de culturele bovenbouw

Viool 2
Dat de Vlaamse Regering stevig moet besparen, ook binnen Cultuur, wisten we al. Minister Gennez benadrukt dat ze "het veld en de kunstenaars daarbij zo veel mogelijk ontziet”. Voor haar kadert de keuze om te besparen op de 9 amateurkunstenorganisatiesgoed voor € 321.000 - dan ook in de bovenbouwbesparingen en is het dus géén besparing op het veld zelf. Bovendien kadert deze beslissing in de lopende oefening rond de hervorming van de culturele bovenbouw.Daarbij ontstaat echter fundamentele begripsverwarring. Bovenbouworganisaties werken voor professionele organisaties en makers; de negen amateurkunstenorganisaties niet. Zij ondersteunen vrijwilligers, lokale groepen en individuele amateurkunstenaars die geen structurele subsidies ontvangen via het Amateurkunstendecreet. En die zijn met vele honderdduizenden.Parlementslid Manu Diericx (N-VA) benadrukt dat de amateurkunstensector met weinig middelen veel bereikt en schitterend werk levert. Daarbij spreekt hij zijn teleurstelling uit over de beslissing van de minister:
“Jammer dat er bespaard wordt op amateurkunsten. Deze koepelorganisaties zijn de enige instanties die structurele subsidies krijgen en toch rekent u hen tot de bovenbouw."
Manu Diericx (N-VA)

Eerste beleidsplan onder vernieuwd decreet

Volgens minister Gennez zijn de “zes kernopdrachten” van de amateurkunstenorganisaties typische bovenbouwopdrachten. Nochtans zijn deze kernopdrachten – waarvan slechts één nieuw is sinds de invoering van het nieuwe Amateurkunstendecreet in 2025 – gemodelleerd naar de reeds 25-jarige werking van de organisaties als veldorganisaties. 
Daarbij kondigt Minister Gennez aan dat ze de 9 organisaties zal betrekken bij de zogenaamde "bovenbouwoefening" in 2026: "Een hervorming van de koepels staat investeringen in de sector niet in de weg. Het is de bedoeling om in de bredere oefening de dienstverlening van de koepels naar de sector intact te houden.”
Bram Jaques (Groen) benadrukt dat de koepels geen echte bovenbouw zijn én dat de timing wringt. Op 1 december 2025 dienen de 9 amateurkunstenorganisaties hun beleidsplannen in voor 2027–2031, op basis van het vernieuwde decreet. Volgens hem ondermijnen de besparingen ook de ambities van dat nieuwe decreet:
“Bij de goedkeuring van het Amateurkunstendecreet vorig jaar was er consensus over bijkomende investeringen om de ambities te kunnen waarmaken."
Bram Jaques (Groen)

Veldorganisaties met een helikopterperspectief

Ook Ilona Vandenberghe (PVDA) herhaalt dat de amateurkunstenorganisaties geen “bovenbouw” zijn maar veldorganisaties met een helikopterperspectief: "Ze werken dagelijks naast en samen met lokale groepen, ensembles, clubs en individuele makers. Ze organiseren festivals, cursussen, podiumkansen aanvullend op het aanbod in het veld."
Vanuit deze rol hebben de 9 amateurkunstenorganisaties weliswaar een helikopterperspectief op hun discipline, en zorgen ze voor verbinding tussen actoren, het delen en ontwikkelen van expertise en fungeren ze als eerste aanspreekpunt voor hun veld. Maar ze hebben in de eerste plaats “de wortels in de grond”, ze vormen het hart van het amateurkunstenveld. Zonder deze 9 organisaties zou het amateurkunstenveld er heel anders uitzien. 
“Besparen op de 9 amateurkunstenkoepels betekent in realiteit besparen op de werkingen van organisaties in het veld.”
Ilona Vandenberghe (PVDA)
Minister Gennez stelt dat het veld wordt “ontzien” omdat er niet bespaard wordt op projectsubsidies. Maar het amateurkunstenveld bestaat in essentie uit de 9 amateurkunstenkoepels die structurele subsidies ontvangen. De aanvullende subsidielijn voor tijdelijke ondersteuning van excellerende groepen (max. €10.000) en de beperkte internationale subsidies wegen hier niet tegenop.
Wie bespaart op de 9 amateurkunstenorganisaties, bespaart dus onvermijdelijk op het veld, want zij zijn de organisaties in het veld. Bovendien organiseren ze net de projecten, festivals en activiteiten waar makers en amateurkunstengroepen hun talent kunnen tonen.

Wat met de internationale ambities?

Tot slot werd de verlaging van het maximale subsidiebedrag voor de internationale tussenkomsten voor amateurkunstenaars – van €20.000 naar €9.000 – bevraagd door Katrien Partyka (cd&v). Ze vraagt zich luidop af of er nog aanpassingen nodig zijn om de subsidielijn toegankelijker te maken:
"Is de denkoefening afgerond of komen er nog aanpassingen, zoals aan het "first come, first served-principe" en worden de drempels voor individuele kunstenaars verlaagd?"
Katrien Partyka (cd&v)
Al meermaals kwam het budgettekort op deze internationale subsidielijn aan bod in de Commissie Cultuur, in contrast met de internationale ambities van het nieuwe Amateurkunstendecreet. Om meer aanvragers te kunnen bedienen binnen het beschikbare budget, kiest de minister ervoor om het maximale bedrag te verlagen. Bovendien wordt dit bedrag afgestemd met andere decreten. De vraag naar de evaluatie van de procedure blijft onbeantwoord in de commissie, maar de sector is vragende partij om dit samen af te ronden en zoveel mogelijk drempels weg te werken.Ook Frederik Sioen (Vooruit) vraagt zich af hoe de lagere tussenkomst in de praktijk zal werken en hij spreekt daarbij zijn waardering voor de sector uit:
"Ook ik ben grote fan van de amateurkunsten. Ik hoop dat de herverdeling van de internationale middelen meer impact kan genereren voor verschillende projecten."
Frederik Sioen (Vooruit)

De discussies in de Commissie Cultuur tonen aan dat de positie van de 9 amateurkunstenorganisaties onvoldoende begrepen wordt. Terwijl de minister vasthoudt aan de bovenbouwlogica, benadrukken meerdere parlementsleden dat deze organisaties net het hart van het veld vormen:

 

- Anders dan bovenbouworganisaties ondersteunen de 9 amateurkunstenorganisaties geen veld van professionele organisaties en kunstenaars, maar net vrijwilligers, lokale groepen en makers.

 

- Al 25 jaar organiseren de 9 amateurkunstenorganisaties festivals, projecten, activiteiten, toonkansen - zij aan zij en samen met andere actoren in het veld én aanvullend op wat er al dan niet ontbreekt. Ze fungeren als veldorganisaties met een helikopterperspectief op hun discipline.

 

- De enige organisaties die structureel ondersteund worden via het Amateurkunstendecreet zijn de 9 amateurkunstenorganisaties, naast een aantal individuele makers en groepen die tijdelijk en beperkt ondersteund worden.

 

Besparen op de amateurkunstenorganisaties is dus wel degelijk een besparing op het amateurkunstenveld. Hoe de aangekondigde bovenbouwoefening zal doorwegen op de ambities van het gloednieuwe Amateurkunstendecreet én de werking van de 9 organisaties blijft voorlopig onduidelijk. Op 1 december 2025 dienen ze alvast hun beleidsplannen in voor 2027-2031, onder het hernieuwde decretaal kader dat begin dit jaar in voege ging.

Wie de Beleids- en begrotingstoelichting wil nalezen, kan die hier terugvinden. De toelichting door de minister in de Commissie Cultuur op 6 november 2025 kan je hier herbekijken en het debat hierover op 13 november 2025 vind je hier .