Amateurkunsten: begripsverwarring en besparingen
maandag 24 november 2025
Dossier: Decreet Amateurkunsten
In de parlementaire commissie Cultuur van 6 en 13 november lichtte Cultuurminister Gennez haar begroting toe voor 2026. Ook de 9 amateurkunstenorganisaties moeten elk 3% besparen omwille van "bovenbouwbesparingen". Verschillende parlementsleden zetten vraagtekens bij die argumentatie. Een reconstructie van het debat.
Begripsverwarring over de culturele bovenbouw
Eerste beleidsplan onder vernieuwd decreet
Veldorganisaties met een helikopterperspectief
Wat met de internationale ambities?
De discussies in de Commissie Cultuur tonen aan dat de positie van de 9 amateurkunstenorganisaties onvoldoende begrepen wordt. Terwijl de minister vasthoudt aan de bovenbouwlogica, benadrukken meerdere parlementsleden dat deze organisaties net het hart van het veld vormen:
- Anders dan bovenbouworganisaties ondersteunen de 9 amateurkunstenorganisaties geen veld van professionele organisaties en kunstenaars, maar net vrijwilligers, lokale groepen en makers.
- Al 25 jaar organiseren de 9 amateurkunstenorganisaties festivals, projecten, activiteiten, toonkansen - zij aan zij en samen met andere actoren in het veld én aanvullend op wat er al dan niet ontbreekt. Ze fungeren als veldorganisaties met een helikopterperspectief op hun discipline.
- De enige organisaties die structureel ondersteund worden via het Amateurkunstendecreet zijn de 9 amateurkunstenorganisaties, naast een aantal individuele makers en groepen die tijdelijk en beperkt ondersteund worden.
Besparen op de amateurkunstenorganisaties is dus wel degelijk een besparing op het amateurkunstenveld. Hoe de aangekondigde bovenbouwoefening zal doorwegen op de ambities van het gloednieuwe Amateurkunstendecreet én de werking van de 9 organisaties blijft voorlopig onduidelijk. Op 1 december 2025 dienen ze alvast hun beleidsplannen in voor 2027-2031, onder het hernieuwde decretaal kader dat begin dit jaar in voege ging.
